Ingmar Bergman is op 85-jarige leeftijd nog steeds even gefascineerd door films als toen hij als kind naar de cinema trok. Met dat verschil dat hij dezer dagen de cinema naar hem laat komen. Bergman maakt thuis regelmatig lijstjes op van films waar hij van heeft gehoord, en zendt die naar de verschillende distributeurs. Die sturen hem dan een kopie op, zodat Bergman - zij het met een kleine vertraging - kan bijblijven met de meest recente Zweedse en internationale cinema. Bovendien maakt Bergman ook elke lente een lijst voor het archief van het Zweedse Filminstituut, van 150 films die hij zou willen bekijken. Begin juni worden die tapes dan met een vrachtwagen geleverd aan zijn huis op het Zweedse eiland Far, zodat Bergman ze in zijn eigen privé-bioscoop kan afspelen. Een en ander gebeurt volgens een strikt geregeld ritueel: heel de zomer lang bekijkt Bergman elke weekdag om drie uur een film, vaak in het gezelschap van zijn kinderen of kleinkinderen, die hij op maandag een lijst geeft van de films die die week zullen worden vertoond. Een bejaarde regisseur in de zomer in een donkere cinema turend naar het scherm, geef toe, het zou een Bergman-film kunnen zijn. Maar de man bezit wel een encyclopedische kennis over de filmgeschiedenis, kent alle oude én nieuwe films en heeft uitgesproken en soms verrassende meningen over de dingen die hij te zien krijgt. Zoals de volgende:
...

Ingmar Bergman is op 85-jarige leeftijd nog steeds even gefascineerd door films als toen hij als kind naar de cinema trok. Met dat verschil dat hij dezer dagen de cinema naar hem laat komen. Bergman maakt thuis regelmatig lijstjes op van films waar hij van heeft gehoord, en zendt die naar de verschillende distributeurs. Die sturen hem dan een kopie op, zodat Bergman - zij het met een kleine vertraging - kan bijblijven met de meest recente Zweedse en internationale cinema. Bovendien maakt Bergman ook elke lente een lijst voor het archief van het Zweedse Filminstituut, van 150 films die hij zou willen bekijken. Begin juni worden die tapes dan met een vrachtwagen geleverd aan zijn huis op het Zweedse eiland Far, zodat Bergman ze in zijn eigen privé-bioscoop kan afspelen. Een en ander gebeurt volgens een strikt geregeld ritueel: heel de zomer lang bekijkt Bergman elke weekdag om drie uur een film, vaak in het gezelschap van zijn kinderen of kleinkinderen, die hij op maandag een lijst geeft van de films die die week zullen worden vertoond. Een bejaarde regisseur in de zomer in een donkere cinema turend naar het scherm, geef toe, het zou een Bergman-film kunnen zijn. Maar de man bezit wel een encyclopedische kennis over de filmgeschiedenis, kent alle oude én nieuwe films en heeft uitgesproken en soms verrassende meningen over de dingen die hij te zien krijgt. Zoals de volgende: 'Een charlatan en serieus overschat als regisseur, oppervlakkig en absoluut niet interessant. Citizen Kane is de eeuwige nummer één op lijstjes, maar ik begrijp helemaal niet waarom. Het is een afschuwelijke film waarbij ik me dood heb verveeld, en de acteurs zijn verschrikkelijk. The Magnificent Ambersons? Al even vervelend.' 'Ik ben nooit een fan geweest van zijn films, behalve dan van La Notte en Blow-Up. Weet je, Antonioni heeft nooit zijn vak grondig geleerd: hij is een estheet die veel aandacht besteedt aan één shot maar niet begrijpt dat een film een stroom van beelden is, een bewegend proces. Voor hem is een film gewoon één shot, en dan een ander shot. Blow-Up en La Notte, een film die ik af en toe herbekijk, zitten wel goed ineen maar het veelgeprezen L'Avventura? Neen, bedankt!' 'Bij hem heb ik een heel ander gevoel. Hij noemde mij 'fratello mio'. We zouden ook samen een film maken, met nog een andere favoriete regisseur van mij, Akira Kurosawa. We zouden elk een liefdesverhaal maken, dat dan één deel zou worden van een film geproduceerd door Dino De Laurentiis. Ik schreef mijn verhaal en vloog naar Rome, waar Fellini Satyricon aan het afwerken was. We hebben drie weken gewacht op Kurosawa, die net een longontsteking had. Een fantastische tijd. Uiteindelijk besloot De Laurentiis om alles af te blazen. Heel spijtig. Maar ik blijf naar zijn films kijken, vooral La Strada en Amarcord.' 'De regisseurs die mij echt hebben beroerd en geïnspireerd zijn - in willekeurige volgorde - Sjöström, Marcel Carné, Kurosawa en Fellini. Ik probeer The Phantom Carriage van Sjöström minstens een keer per jaar te bekijken. Het is een traditie geworden om mijn cinemaseizoen daarmee te beginnen en te eindigen met A Girl from the Marsh Croft. Die twee films zijn mijn drug - of mijn ondeugd, zo je wil. 'Maak het niet onnodig moeilijk als je regisseert', gaf hij me ooit als raad. 'Creëer niet te veel problemen voor jou en je crew. Uitgebreide camerabewegingen, je weet nog niet hoe ermee om te gaan, dus hou het simpel.' 'Ik heb een zwak voor de stille film uit de tweede helft van de jaren twintig, net voor de geluidsfilm de cinema overnam. En dan vooral voor Murnau: The Last Laugh, Faust en zijn meesterwerk Sunrise zijn drie verbazende films, die tonen dat Murnau, op hetzelfde moment als Stroheim in Hollywood, op weg was een eigen, originele beeldtaal te scheppen.' 'Geen enkele Amerikaanse regisseur betekent meer voor mij dan Billy Wilder. Ik kan de grootsheid van John Ford begrijpen, maar zijn films zeggen mij niets. Maar van Wilders films ben ik altijd al een fan geweest. Hij is ook een genie die op het gebied van acteurs altijd de juiste keuze heeft gemaakt, zelf bij Marilyn Monroe.''Mijn moeder is maar een keer kwaad geweest op mij. Ik had Pépé le Moko van Duvivier gezien en had tegen mijn ouders gezegd: 'Daar moeten jullie naartoe!' Nadien was mijn moeder woedend: Hoe kon ik van zo'n verschrikkelijke, immorele rotzooi houden? Nadien heb ik ze geen films meer aangeraden.' 'Op een filmfestival in Frankrijk vroeg een criticus mij ooit tijdens een debat welke films belangrijk waren geweest voor mij. Ik zei dat Duvivier - met Pépé Le Moko en Un carnet de bal - en Marcel Carné - Quai des brumes, Hôtel du Nord en Le jour se lève - mij ertoe hadden aangezet om regisseur te worden. Toen hoorde ik gegniffel in het publiek. Als ik Jean Renoir had gezegd, was dat oké geweest, maar Carné en Duvivier? Toentertijd hadden de invloedrijke critici 'le cinéma de papa' verworpen en werd Godard als nieuwe idool aanbeden. En dan kwam ik die twee oude clowns eer betonen! Maar ik bekijk hun films nog altijd met veel plezier; ze hebben een treurigheid, een tederheid en een sensualiteit die ik simpelweg schitterend vind.' 'Ik vond Truffaut schitterend, ik bewonderde hem. Zijn manier van omgaan met een publiek, van een verhaal vertellen, is fascinerend. Het is niet mijn manier, maar het werkt wonderlijk in zijn films. Sommige van Truffauts films kan ik opnieuw en opnieuw zien, zonder dat ik ze moe word, zoals L'Enfant sauvage, waarvan het humanisme een enorme indruk op me naliet of La Nuit américaine, een magische film.' 'Ik heb zijn films nooit kunnen appreciëren laat staan begrijpen. Ze voelen geaffecteerd, vals intellectueel en compleet doods aan. Langdradig en hersenverlammend saai. Hij maakte films voor critici.''Als we het over de drie regisseurs uit de Nouvelle Vague hebben - Truffaut, Godard en Chabrol - dan geniet Chabrol mijn absolute voorkeur. Ik heb altijd een zwak gehad voor misdaadfilms, en hij was in dat genre een schitterend verteller.''Ik houd van zijn films. Zijn gestileerde aanpak van misdaaddrama, zijn excellent gevoel voor het licht in een scène. Hij was ook een van de eerste regisseurs die begrepen hoe je Cinemascope op een intelligente en gevoelige manier kan gebruiken.''Tarkovsky heeft me een van de mooiste, meest onvergetelijke filmervaringen uit mijn leven bezorgd. In 1971 zat ik samen met de Zweedse regisseur Kjell Grede in een viewing room en we vonden een stapel filmblikken in een la, het was Andrei Rublev van Tarkovsky. We hebben de projecteerder omgekocht om de film te tonen en rond half drie 's ochtends kwamen we allebei uit de viewing room, met bloeddoorlopen ogen, compleet ademloos en van de kaart. Ik zal het nooit vergeten. En de film had zelfs geen ondertitels. We begrepen er geen woord van maar we waren nog altijd ondersteboven.' 'Dat Dreyer en ik vergeleken worden, kan enkel komen door oppervlakkige gelijkenissen, zoals onze gemeenschappelijke noordelijke afkomst. Want ik moet bekennen dat ik in het algemeen Dreyers houding helemaal niet graag heb. Ik heb er respect voor, voor zijn artistieke gevoeligheid en zijn technisch meesterschap en ik bewonder die kwaliteiten in films als La Passion de Jeanne d'Arc en Dies Irae. Maar op menselijk vlak keur ik zijn sadomasochistische houding af. Hij heeft nooit een God bedacht die in dienst stond van de mens, maar altijd mensen die in dienst stonden van God. Hij nam genoegen met het lijden om het lijden te beschrijven, maar reikte nooit een begin van oplossing aan.'(S.W.)