Shani Boianjiu, Anthos (oorspronkelijke titel: The People of Forever Are Not Afraid), 287 blz., ?19.95
...

Shani Boianjiu, Anthos (oorspronkelijke titel: The People of Forever Are Not Afraid), 287 blz., ?19.95 Yael, Avishag and Lea kennen elkaar van het dorp waarin ze zijn opgegroeid en van de school, waar militaire terminologie een vak is. Ze leren de afkortingen voor Syrische onderzeeërs of Palestijnse kinderen die verbranden als ze met hun tweeën een raketwerper hanteren. In het dorp valt er niet veel te beleven en de vriendinnen wachten vooral tot het leven eindelijk zal beginnen. Yael is verliefd op Avishags broer, maar die kiest na zijn terugkeer van zijn militaire dienst voor een spelletje Russische roulette als laatste tijdverdrijf. De liefde voor soldaten die zullen sterven, achtervolgt Yael door de hele roman. Met de verveling is het snel uit wanneer de vriendinnen ieder in een andere militaire eenheid terechtkomen. Avishag wordt opgeleid voor de enige vrouwelijke gevechtseenheid van de infanterie. Avishags zwijgzaamheid zal haar vaak parten spelen. Ze weet niet wat ze aan moet met de mensensmokkelaars die vanuit Egypte Israël binnenrijden. Ze zwijgt omdat haar vriend-officier haar dat beveelt, maar de bom barst uiteindelijk toch. Op een erg exhibitionistische wijze. Lea moet bij de onpopulaire militaire politie de Palestijnen controleren die in Israël komen werken. Ze raakt geobsedeerd door een Palestijnse arbeider die haar collega probeert te onthoofden. Yael wordt wapeninstructeur. Ze is misschien wel de vrolijkste van de drie. Ze maakt vriendinnen, probeert niet verliefd te worden op de jongens die ze onderricht en ziet hoe ze daarna ontkomen als het conflict tussen Israël en Libanon escaleert. Heel interessant is dat Boianjiu niet alleen de drie jonge vrouwen een stem geeft, maar dat Palestijnen, illegalen of personages die slechts in de periferie van het leven van haar protagonisten een rol vervullen ook betekenis krijgen. Zo wordt de roman een patchwork van tragische verhalen, trage pijn, tegenstrijdige visies en komische intervallen. Shani Boianjiu schaart zich als een van de eerste vrouwen met gemak in de lijst van 'soldaten-schrijvers' die geen politieke verantwoording zoeken voor de militaire daden van hun land, maar wel door een heel ander vizier naar de werkelijkheid kijken dan een burger. Erich Maria Remarque deed dat met Im Westen nichts Neues (1929) voor de Eerste Wereldoorlog, Tim O'Brien met The Things They Carried (1990) voor Vietnam en Kevin C. Powers vorig jaar nog met The Yellow Birds voor Irak. Boianjiu mag dan niet rechtstreeks over de oorlog schrijven, in haar beschrijving van de gespannen verhouding tussen Palestijnen, Libanezen, Egyptenaren en Israeli's klinkt dezelfde wanhoop en absurditeit door. Ook lust en verlangen spelen bij Boianjiu voortdurend op. Op dat vlak worden de jonge vrouwen in haar roman snel volwassen: ze schatten hun seksualiteit rea-listisch in en nemen zelf het heft in handen. Seks betekent veel in dit boek: troost, tijdverdrijf, identiteit, macht en ja, ook liefde. Dat het ook een controversiële roman is, is onvermijdelijk. Boianjiu toont hoe de ene na de andere piepjonge generatie Israëli's onbewust verward en verknipt raakt omdat ze een uniform, een rang en een wapen krijgen en omdat alle oudere generaties zwaar op hen steunen. Boianjiu doorbreekt zelfs een nog groter taboe, omdat ze aantoont hoe wapens (en de bijbehorende seksuele macht) het zelfbeeld van jonge vrouwen veranderen. Deze piepjonge auteur wordt ongetwijfeld een van de grote verhalenvertellers van haar generatie. JOHANNA SPAEYSLEUTELZIN 'Ik zag dat ik soldaat was, en ik keek en keek en keek, en ik was niet bang. Het was een paar weken voor mijn negentiende verjaardag.'