'It doesn't go like anything you think it goes like.' Nee, bluesman Howlin' Wolf was niet in zijn hum toen hij in 1970 met de ritmesectie van The Rolling Stones en gitarist Eric Clapton in de Olympic Studios zat voor wat The London Sessions zouden worden. De groove groovede niet, de gitaar klonk te dun, hun pakken zaten veel te strak - kortom: die Britse jongens klonken zo verdomd wít.
...

'It doesn't go like anything you think it goes like.' Nee, bluesman Howlin' Wolf was niet in zijn hum toen hij in 1970 met de ritmesectie van The Rolling Stones en gitarist Eric Clapton in de Olympic Studios zat voor wat The London Sessions zouden worden. De groove groovede niet, de gitaar klonk te dun, hun pakken zaten veel te strak - kortom: die Britse jongens klonken zo verdomd wít. Met zijn 300pounds of heavenly joy was Wolf, samen met Muddy Waters, de keizer van de Chicagoblues: de trage, stampende, hijgende variant van het genre. Vergeet even de akoestische slide van de Mississippidelta, de snelle shuffles uit Texas, de swing van de West Coast. Nee: Chicago. Zijn bijtende kou. Zijn zweterige bars. Zijn Chess Records. Een stad waar een kolos als Howlin' Wolf je de stuipen op het lijf joeg met zinnen als: 'I eat more chicken than any man ever seen.'Mick Jagger en zijn Stones aten niet zoveel kip. *** Dat kon je al horen op hun debuutalbum uit 1964, dat gewoon The Rolling Stones heette - genoemd naar een klassieker van Muddy Waters. Van de twaalf songs zijn er maar drie zelf geschreven, de rest zijn bluescovers. Later dat jaar namen ze Wolfs Little Red Rooster op, een song zo aangebrand dat de Amerikaanse radiostations er destijds niet van wilden weten - die dikke zwarte zong toch niet écht over een rood haantje? De versie van The Stones werd gewoon op tv uitgezonden: ze klonk groener dan het gras van Wimbledon. Willie Dixon, Jimmy Reed, Chuck Berry, Muddy Waters: allemaal kregen ze een Britse wasbeurt. Hun nummers kwamen wat kleiner, fletser en rockender uit de tobbe dan ze erin waren gegaan, wat vooral het gevolg was van het opgedreven tempo en de fruitige stem van Jagger. Het aardige is: daar waren die Britten zich terdege van bewust. In élk interview staken ze de loftrompet over hun grote voorbeelden. Toen The Stones in 1965 voor de derde keer naar de VS trokken, mochten ze opdraven in de tv-show Shindig. Ze hadden één voorwaarde: hun grote held Howlin' Wolf moest ook een nummer zingen voordat ze zelf Satisfaction zouden inzetten. Als communicanten zaten ze aan Wolfs voeten in het grote decor, terwijl hij steeds bronstiger met zijn heupen schokte. Dat openlijke respect voor hun voorbeelden leverde die laatste geen windeieren op. Amerika herontdekte zijn eigen muzikale geschiedenis, de bluesrevival was een feit. The Rolling Stones zouden begin jaren zeventig op hun best zijn wanneer ze net níét probeerden om blues te spelen. Toch bleven ze ernaar teruggrijpen, op het podium en daarbuiten. De aanslepende opnames van Exile on Main St., goed voor 200 uur band, laten er geen twijfel over bestaan. Als de stress, de ergernis of de verveling te groot wordt, wordt een oude blues ingezet om de kamer even te luchten. Twee van die takes zouden uiteindelijk ook op de plaat terechtkomen: Slim Harpo's Shake Your Hips and Robert Johnsons Stop Breaking Down. De branie van Chicago was dan wel deel van hun persona geworden, maar ze misten de finesse. Het beste wat hen op bluesvlak overkwam, was de ontmoeting met bluesmeester Ry Cooder: Keith Richards stal van hem als een ekster. *** Cue naar december 2015. Elf jaar is het alweer geleden dat A Bigger Bang uitkwam, het laatste studioalbum van The Rolling Stones tot nu toe. De band trekt zich terug in de British Grove Studios van Mark Knopfler in Londen om aan een nieuwe plaat te werken. De eerste dag vlot het niet - 'de studio geeft zich niet over', dixit Keith Richards in zijn gebruikelijke grootspraak. Het breekijzer blijkt een oude favoriet: Blue and Lonesome, een tegelschuiver van harmonicavirtuoos Little Walter uit 1965. Jagger haalt zijn mondharmonica boven en er gebéúrt iets. De nieuwe plaat met Stones-originals moet nog maar even wachten. Even later zwaait de deur van de studio open. Het is Eric Clapton, die in hetzelfde gebouw zijn nieuwste album zit af te mixen. Of hij een van Richards' vette Gibsongitaren mag lenen om mee te spelen? Meteen zorgt hij voor twee tracks op wat in drie dagen tijd Blue & Lonesome zal worden: Everybody Knows about My Good Thing van Little Johnny Taylor en I Can't Quit You Baby van Otis Rush. Daarmee hebben we het beste gehad. De single Just Your Fool vat de plaat zowat samen. Alles wat de versie van Little Walter zo verleidelijk maakte - de lichte shuffle van de drums, de kleine gitaar- en pianoriedels op de achtergrond, de snokkende adem van Walter - ontbreekt bij The Stones. In de plaats daarvan krijg je een botte stamper waarin de gitaar van Richards de hele band overstemt, Jagger als een goedmenende amateurblazer op een blueskroegentocht klinkt, en zijn stem helder maar karakterloos in galm en oversturing wordt gedrenkt om ze enige envergure te geven. Howlin' Wolfs Commit a Crime, Ride 'Em On Down van Eddie Taylor en I Gotta Go van Little Walter klinken al evenzeer als een geforceerde pastiche. Niets dan droefenis, dan? Toch niet. Als ze iets minder in hun eigen snoeverij geloven (Richards: 'I'm black as the ace of fucking spades, man. Ask any of the brothers') klinkt het nog zo lekker. Hoo Doo Blues van Lightnin' Slim en Little Rain van Jimmy Reed schitteren in al hun understatement. De logica erachter is even simpel als een drieakkoordenschema: als gitarist Ronnie Wood wat ruimte krijgt, wordt alles speelser, vetter, menselijker. 'Als ik dit geweten had, had ik eerst een paar maanden gerepeteerd', liet Jagger zich ontvallen. Bij zo veel wijsheid had Howlin' Wolf hem vast op een emmer kippenvleugeltjes getrakteerd. BLUE & LONESOME Uit op 2/12 op Polydor. Door Bart CornandThe Stones waren begin jaren zeventig op hun best wanneer ze net níét probeerden om blues te spelen. De branie hadden ze, de finesse niet.