FILMS: ** Extra's: 0 (Warner Home video)
...

FILMS: ** Extra's: 0 (Warner Home video) Hammer, een relatief kleine Engelse productiemaatschappij, haalde vanaf de late jaren vijftig alle grote huivermythes van de Amerikaanse Universalfilms uit de jaren dertig van onder het stof. In nauwelijks vijf jaar tijd, tussen 1956 en 1961, stak hun vlaggenschipregisseur Terence Fisher Frankenstein, Dracula, de Mummie, Mr. Hyde, de Wolfman en het Spook van de Opera in een nieuw jasje. Door de bloedrijke technicolorfotografie van Hammer werd de gruwel als realistisch ervaren, ofschoon de goedkoop geproduceerde films noodgedwongen een hoge graad aan stilering bezaten, gaande van de zeer herkenbare studiodecors tot de gemaniëreerde vertolkingen. Dankzij het talent van spelers (met iconen Christopher Lee en Peter Cushing), schrijvers (vooral John Elder, pseudoniem voor Anthony Hinds, productiechef en zoon van stichter Will) en regisseurs (naast Fisher ook Freddie Francis, Val Guest en Roy Ward Baker) overstegen de Hammerprenten hun materiële beperkingen en goedkoop sensationele attractie. Voor vele fans (onder wie Martin Scorsese) kreeg de gotische griezel een morbide poëtische dimensie. De eerste vier Hammertitels die op het Warnerlabel verschijnen, dateren van de latere periode, toen de studio soms krampachtige pogingen ondernam om zich aan te passen aan de nieuwe permissiviteit van de late sixties, vroege seventies. Zo is de derde Draculafilm met Christopher Lee, Dracula Has Risen from the Grave (1968), niet alleen de meest religieus getinte, maar ook de meest seksueel expliciete verkenning van de mythe van de bloedzuigende graaf. Met twee keer niks drijft Freddie Francis de atmos-feer en spanning ten top en rijgt hij de sterke momenten aan elkaar. Van de sterke opening waarin een zwartrok een meisje ontdekt dat ondersteboven in een kerkklok bengelt, over de scène waarin de held Dracula met een houten staak wil doden, maar als atheïst niet het noodzakelijke gebed kan prevelen tot de finale waarin de vampier gespietst op een crucifix aan zijn einde komt. In Taste the Blood of Dracula (1970) van de vrij sadistisch aangelegde Peter Sasdy bedreigt de decadente Dracula de schijnheilige vroomheid van een Victoriaans burgergezin, en neemt hij bezit van de onschuldige dochters van drie ontaarde zakenmannen. Als een serie aan het eind van zijn Latijn gekomen is, dan zorgt de kruisbestuiving met een ander genre vaak voor de laatste stuiptrekkingen. Zo ook met The Legend of the Seven Golden Vampires (1974) waarin die goede oude vampierverdelger Van Helsing (Cushing) zijn werkterrein verlegt van de Transsylvanische wouden naar het Chinese platteland. Daar wil hij het verband uitvlooien tussen Dracula en een oosters bloedzuigend gezelschap dat bovendien over een schier onuitputtelijke voorraad beschikt van de tot slaaf gemaakte ondode boeren. De helden gaan de creaturen Kung Fu-gewijs te lijf en rukken de harten uit hun rottende lijven. Roy Ward Bakers drukdoende, uitzinnige mix tussen Hammerhorror en krijgskunstactie slaat nergens op, maar de onzin wordt met veel vaart en energie aan de man gebracht. Naast deze drie vampierfestijnen is er ook de vijfde Frankensteinfilm uit de Hammerstal. In Terence Fishers Frankenstein Must Be Destroyed (1969), is de goede dokter (Cushing) meer dan ooit het échte monster: een verbitterde en gewetenloze dwingeland die voor niets terugdeinst om zijn experimenten op onschuldigen te botvieren. De morbide griezelromantiek maakt er een hoogtepunt van in het genre, dat algauw naar de autoparodie zou afglijden. Patrick Duynslaegher Patrick Duynslaegher