Bruno Dumont met Julie Sokolowski, Yassine Salime, David Dewaele
...

Bruno Dumont met Julie Sokolowski, Yassine Salime, David Dewaele Een vrolijke Frans kun je Bruno Dumont niet noemen - denk maar aan de rond neukende en beukende hangjongeren uit zijn controversiële debuut La vie de Jésus (1997) en van de Vlaamse primitievelingen uit zijn al even controversiële anti-oorlogsdrama Flandres (2006). Met zijn vijfde langspeler Hadewijch lijkt de filmende filosoof uit Bailleul zijn zoektocht naar de ultieme anticinema echter heel even te hebben stopgezet. Dumont gooit het in deze prent voor het eerst over een vrij toegankelijke boeg. Hij kiest niet alleen voor een min of meer rechtlijnig verteld verhaal, maar ook voor een protagoniste van vlees en bloed. Die eer is weggelegd voor de achttienjarige Céline (Julie Sokolowski), een studente van rijke afkomst die haar dagen liever slijt in het gezelschap van stilzwijgende kloosternonnen dan dat van haar hormonaal geplaagde vriendjes en vriendinnetjes. Wat Céline tot haar obsessieve onwereldse devotie ten aanzien van de Here Jezus drijft? Waarom ze haar allochtone lief Yassine op zijn seksuele honger laat zitten? En waarom ze zich finaal laat strikken door diens oudere broer, een bedrieglijk aimabele, maar radicale islamleraar? Conform de Dumontcanon mag de kijker de antwoorden zelf formuleren, al lijkt de regisseur subtiel de link te leggen tussen elke vorm van dogmatische religie en psycho-seksuele obsessies die uiteindelijk tot waanzin en terreur leiden. In die zin is Hadewijch - losjes geïnspireerd op de poëzie van de gelijknamige middeleeuwse mystica - geen radicale stijlbreuk voor Dumont. Zo mag hij de Frans-Vlaamse decors van La vie de Jésus, L'Humanitéen Flandres dan wel hebben ingeruild voor Parijse kloosters en banlieues, zijn hoofdzakelijk door amateurs gespeelde personages praten, lopen, zuchten en staren nog altijd even robuust en instinctief als voorheen. Bovendien heeft het camerawerk opnieuw iets verhevens en primitiefs en oogt het subtiel en archaïsch tegelijk. Je kunt Dumonts bewondering voor Permeke en Bosch haast fysiek voelen. Net als zijn vorige films trekt Hadewijch plechtstatig voorbij als een uitgepuurd meta-fysisch ritueel à la Robert Bresson. Het is er echter wel één dat even cryptisch als chaotisch eindigt met een climax waar geen touw aan vast te knopen valt. Daarenboven doet de Franse relneef onderweg provocerend weinig moeite om raciale stereotypen te nuanceren, waarbij de islamitische personages afwisselend worden gecast als stelende straatboefjes en fanatieke would-be terroristen. De zoveelste stunt van een onverbeterlijke agent provocateur? Of een hoogst persoonlijke reflectie over spiritualiteit gone bad? Eén ding is zeker: met die Dumont ben je - godzijdank - nooit klaar. Dave Mestdach