Aan de parkeerwachter van de conviviale, historische studentenstad Leuven die zo goed zijn werk doet dat hij in twee dagen tijd maar liefst twee bekeuringen onder mijn ruitenwisser kon steken, namelijk een van zes minuten nadat de tijd op de parkeerschijf was verstreken en een andere op een recordtijd van drie minuten na het onherroepelijke verstrijken, zeg ik: proficiat en dankjewel, sinds enkele privébedrijfjes mensen mogen aannemen die anders ofwel een leven lang werkloos voor de tv-shopping van VTM hadden gelegen of in het beste geval de slagboom open en weer dicht hadden mogen doen op een afgelegen containerpa...

Aan de parkeerwachter van de conviviale, historische studentenstad Leuven die zo goed zijn werk doet dat hij in twee dagen tijd maar liefst twee bekeuringen onder mijn ruitenwisser kon steken, namelijk een van zes minuten nadat de tijd op de parkeerschijf was verstreken en een andere op een recordtijd van drie minuten na het onherroepelijke verstrijken, zeg ik: proficiat en dankjewel, sinds enkele privébedrijfjes mensen mogen aannemen die anders ofwel een leven lang werkloos voor de tv-shopping van VTM hadden gelegen of in het beste geval de slagboom open en weer dicht hadden mogen doen op een afgelegen containerpark, is het leven echt veel aangenamer geworden. Parkeren is geen recht, het is godverdomme een privilege! Voor de rest van dit betoog verwijs ik graag naar mij tweewekelijkse rubriek 'De boze burger' in het consumentenmagazine Kust allemaal mijn klak, motherfuckers, tijdens de late uurtjes op Vitaya. Gelukkig had ik ook een zeer aangenaam gesprek met schrijver Giorgio Vasta in het literatuurhuis Passa Porta in Brussel. Giorgio Vasta is een Italiaanse schrijver die in 1970 geboren werd en opgroeide in de Siciliaanse stad Palermo. Hij verhuisde midden z'n twintiger jaren naar Turijn, waar hij nog steeds woont. Hij schreef enkele jaren geleden een boek dat De materiële tijd heet. Wat Giorgio Vasta met die debuutroman gepresteerd heeft, daar ben ik enkele dagen niet goed van geweest. Oké, voor een stuk letterlijk, want er komt redelijk waanzinnig geweld in voor. Maar toch vooral van de manier waarop Vasta zijn taal en dus zijn narratieve wereld controleert, hoe hij bijna op een wetenschappelijke manier woorden en zinnen op de lezer toepast en dan kijkt wat er gebeurt. Het boek gaat over drie elfjarige jongens - vrienden, klasgenootjes - die in hun Palermo van 1978 via krantenknipsels en tv-journaals echo's opvangen van wat er in de grote steden gebeurt. De Rode Brigades proberen in die jaren met hun extreemlinks terrorisme alles wat oud en ingebakken is uit de huid van het land te snijden, met de ontvoering van en de moord op de christendemocratische premier Aldo Moro als triest hoogtepunt. De jongetjes willen alles zijn, behalve gewone elfjarige Italiaanse jongetjes uit Palermo. Ze willen radicaal zijn, ze willen principieel blijven, ze willen zich distantiëren van de borrelende, door slap entertainment en lakse ironie mak gehouden massa rondom hen. Ze willen iets concreets, ze willen iets materieels: ze willen tot de actie overgaan. En dat doen ze ook. Tegelijk is dit boek, waarschijnlijk meer nog dan een stukje prachtig gereconstrueerde Italiaanse geschiedenis, een ode aan de taal. Taal als wapen en als schuilplaats, taal als architectuur, als een code om de wereld te ontcijferen en als redmiddel om aan middelmaat en status-quo te ontsnappen. Maar perfect is ze niet, er is iets wat niet gevat kan worden in zelfs de meest strak geredigeerde taal, en dat is de liefde. Een boek dat zich als een roestende prikkeldraad om je lichaam opspant tot je niet meer kan. 'VAN GIORGIO VASTA'S 'DE MATERIËLE TIJD' BEN IK LETTERLIJK ENKELE DAGEN NIET GOED GEWEEST.'