Als ik in Greenwich Village, gelegen op het enige eiland ter wereld waar ik zelfstandig kan en wil overleven, op een bankje zit aan het driehoekige pleintje dat gevormd wordt door een toevallige samenloop van Bleecker Street, Carmine Street en de drukke Avenue of the Americas, heb ik buiten een ijsje van bij Grom (geheel toevallig net op de hoek te verkrijgen) niet veel nodig. Ook wens ik geen andere mensen om me heen. Toch niet naast de 1,6 miljoen overige eilandbewoners en de negenentwintig miljard fakking, euhm, Denen in Chinatown.
...

Als ik in Greenwich Village, gelegen op het enige eiland ter wereld waar ik zelfstandig kan en wil overleven, op een bankje zit aan het driehoekige pleintje dat gevormd wordt door een toevallige samenloop van Bleecker Street, Carmine Street en de drukke Avenue of the Americas, heb ik buiten een ijsje van bij Grom (geheel toevallig net op de hoek te verkrijgen) niet veel nodig. Ook wens ik geen andere mensen om me heen. Toch niet naast de 1,6 miljoen overige eilandbewoners en de negenentwintig miljard fakking, euhm, Denen in Chinatown. Hoewel, toch één uitzondering, en dat is geen, zoals je misschien zou verwachten, heet wijf. Behalve als je de Amerikaanse dichter Stephen Dunn een heet wijf vindt. Met zijn stoere wallen en die hitsige baard. Hoewel ik de meeste dagen van de laatste tien jaar van mijn leven met taal bezig ben geweest zoals een bakker met deeg of een goochelaar met een stapel kaarten, ben ik nooit een grote poëzielezer geweest. Meer dan Jean-Marie Dedecker, dat wel, maar quand-même. Dat komt niet omdat ik tegen poëzie ben of omdat ik poëzie haat, zoals bijvoorbeeld wel het geval is met sterk bruisend water, korte reclamespotjes tijdens het voetbal op tv en de meeste gefrituurde vis. Neen, de reden is dat ik helaas weinig geduld heb, eigenlijk erg lui ben en ook niet graag dingen zomaar even doe, zonder er helemaal in op te gaan. Daarom is 'snel nog een gedichtje lezen' geen optie. Neem nu de titel van een van de beste en best verkochte inheemse bundels van de laatste jaren, namelijk Verzamel de liefde van Bart Moeyaert. Enkel over de titel kun je al een halve dag of twee nadenken. Of alleszins veel langer dan over de titel van het waarschijnlijk eveneens meesterlijke thrillerwerk Mysterie in Laken van Pol Van Den Driessche, die eerst bij tv werkte, en dan in de politiek en dan weer voor tv, omdat dat geen enkel probleem is. En het kan ook omgekeerd geweest zijn. Doet er niet toe. Helaas is het ook zo dat er binnen de poëzie weleens al te, tja, poëtisch gedaan wordt, wat het imago van de kunst geen deugd doet (nou, misschien bij zoekende zielen die geloven in helende kaarsen en zo) en al eens doet vergeten dat poëzie net de puurste vorm kan zijn waarin taal gebruikt wordt. De porno van de literaire genres, in zekere zin. Zelf houd ik het meest van poëzie die zich in de schemerzone van het proza bevindt. Een enkele pagina of een zin die een volledig boek of een bibliotheek of meer in zich draagt. En laat Stephen Dunn nu net daarin een meester zijn. Dunn is heel erg bekend in Amerika, waar hij woont, werkt en al meer dan dertig jaar aan zijn oeuvre schrijft. Hij won ooit een groot stuk salami op een lokale kermis, en dan, niet dezelfde avond, ook nog eens een Pulitzer Prize. Naast gedichten schreef hij onder andere ook erg scherpe essayistische stukken. Zo leidt hij zijn bundel Riffs & Reciprocities in met een citaat van Charles Olson: ' Poems should be more like essays and essays should be more like poems.'Net daarom zou ik Dunn 'de poëet voor wie niet van poëzie houdt' durven te noemen. De verzameling What goes on, met een selectie uit zijn werk van de laatste vijftien jaar, zou in elk huis waar taal meer is dan datgene wat je gebruikt om de ketchup door te laten geven, aanwezig moeten zijn. Nou... mogen zijn. Lees zijn werk voor hij doodgaat (je hebt nog wel even de tijd, normaal gezien) en raad hem aan bij vriend en vijand. Het voordeel van taal is ook dat je het gewoon kunt overtypen. Dus gaan we eruit met de woorden van de meester; de eerste zin van Wild. 'The year I owned a motorcycle and split the air in southern Spain, and could smell the oranges in the orange groves as I passed them outside of Seville, I understood I'd been riding too long in cars, probably even should get a horse, become a high-up, flesh-connected thing among the bulls and cows.' Hoor je dat ook, die stilte vlak aan de drukke Avenue of the Americas? Paul Baeten Gronda'Stephen Dunn is de poëet voor wie niet van poëzie houdt.'