In 1992 publiceerde Francis Fukuyama Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, waarin hij glorieus betoogde dat het neoliberalisme na het ineenstorten van de Sovjet-Unie de eindoverwinning had geboekt. De geschiedenis was klaar. Zijn argumentatie leek verdacht veel op die van natuurkundigen die begin twintigste eeuw verkondigden dat er niets meer te ontdekken viel, dat er alleen nog dingen uitgewerkt moesten worden. Beiden vergisten zich lelijk. De relativiteitstheorie zette de natuurkunde op haar kop en het internet maakte een einde aan elk hiërarchisch denken.
...

In 1992 publiceerde Francis Fukuyama Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, waarin hij glorieus betoogde dat het neoliberalisme na het ineenstorten van de Sovjet-Unie de eindoverwinning had geboekt. De geschiedenis was klaar. Zijn argumentatie leek verdacht veel op die van natuurkundigen die begin twintigste eeuw verkondigden dat er niets meer te ontdekken viel, dat er alleen nog dingen uitgewerkt moesten worden. Beiden vergisten zich lelijk. De relativiteitstheorie zette de natuurkunde op haar kop en het internet maakte een einde aan elk hiërarchisch denken. Tussen die twee momenten laveert John Higgs. Zijn centrale punt: dat er geen centraal punt meer is. De ontdekkingen van Einstein veegden de vloer aan met het starre cartesisch ruimtedenken, het kubisme huldigde de kunst van meervoudige perspectieven en op politiek vlak begon de twintigste eeuw met het verdwijnen van keizerrijken - niet langer gold er één centraal gezag, maar kwam de macht almaar meer bij het individu te liggen. Higgs' geschiedenisboek is dan ook niet lineair opgesteld, maar thematisch. Met verbazend gemak verbindt hij The Rolling Stones met Margaret Thatcher (die hij rehabiliteert als eerste klimaatstrijder) en quantummechanica met de occulte leer van Aleister Crowley. Daarbij besteedt Higgs terecht veel aandacht aan de wetenschap. Hij bejubelt de revolutionaire theoretische natuurkunde, maar ook de praktische uitwerking daarvan - zonder Einstein geen wapenwedloop, en dus geen maanlanding. Zijn arendsblik leidt inderdaad soms tot het minimaliseren van de negatieve effecten van de wetenschap. Zo stapt hij wel heel losjes over de wereldoorlogen heen, toen het wapengekletter geïndustrialiseerd werd. Dat doet hij waarschijnlijk bewust: fascisme en nazisme passen niet helemaal bij zijn decentralistisch uitgangspunt - Hitler en consorten belichaamden net de wederopstanding van het keizerlijke gedachtegoed. In die zin 'vergeet' hij ook de Europese Unie te vermelden - misschien omdat hij Brits is, misschien omdat het bureaucratisch centralisme niet in zijn mal past. Nog minpuntjes: hij slaagt er niet in om goede metaforen te verzinnen om quantummechanica aanschouwelijk te maken - op zich niet verwonderlijk, het is onbegrijpelijke materie - maar zijn wankele pogingen storen en de manier waarop hij The Beatles tegen The Rolling Stones uitspeelt, is nogal puberaal. En zijn blik is nogal westers, maar daar staat hij niet alleen in. Higgs zal de eerste zijn om die kritiek te erkennen. Zijn boek countert net het idee van één geschiedschrijving en hij aarzelt niet zichzelf te parodiëren. Op zijn bezorgdheid over de klimaatsverandering na toont hij zich ook bijzonder optimistisch over de toekomst. Dat is, samen met zijn humoristische schrijfstijl, een verademing in het genre. VREEMDER DAN JE JE KUNT VOORSTELLEN ***** John Higgs, De Bezige Bij (originele titel: Stranger Than We Can Imagine: Making Sense of the Twentieth Century), 384 blz., ? 24,99. RODERIK SIXCENTRALE ZIN Wie het postmodernisme wil begrijpen, moet maar eens een paar uur 'Super Mario Bros.' spelen.