De western, met zijn ruwe macho's met leren laarzen, strakke jeans en colt in de broek is het genre bij uitstek waarin loyaliteit en viriele vriendschap de dienst uitmaken. Films vol eenzame outlaws en roekeloze revolverhelden, harde, individualistische kerels voor wie de actie en de vuurgevechten voorrang hebben op de romantiek, hebben dat beeld voorgoed in ons collectieve geheugen vastgezet. De heroïsche cowboy, hét Amerikaanse archetype, dateert al van het einde van de 19e eeuw, toen hij voor het eerst op schilderijen werd afgebeeld. Maar Hollywood heeft de mythen en fantasieën van het wilde Westen geïdealiseerd en over de hele wereld verspreid.
...

De western, met zijn ruwe macho's met leren laarzen, strakke jeans en colt in de broek is het genre bij uitstek waarin loyaliteit en viriele vriendschap de dienst uitmaken. Films vol eenzame outlaws en roekeloze revolverhelden, harde, individualistische kerels voor wie de actie en de vuurgevechten voorrang hebben op de romantiek, hebben dat beeld voorgoed in ons collectieve geheugen vastgezet. De heroïsche cowboy, hét Amerikaanse archetype, dateert al van het einde van de 19e eeuw, toen hij voor het eerst op schilderijen werd afgebeeld. Maar Hollywood heeft de mythen en fantasieën van het wilde Westen geïdealiseerd en over de hele wereld verspreid. Veel aandacht voor het homoseksuele gedrag van cowboys had Hollywood in de pioniersjaren niet. Ook al lieten schrijvers als Mark Twain en James Fenimore Cooper in hun romans duidelijk doorschemeren dat homoseksualiteit in de Far West gewoon was en sociaal aanvaard werd, was het thema voor de filmindustrie een taboe. Maar dat betekent niet dat het helemaal niet aan bod kwam in de vroege westerns. Een populaire gag in stille parodieën op het genre was bijvoorbeeld om een flamboyant verwijfd mietje midden in de machowereld van cowboys te droppen, zoals gebeurde in Wanderer of the west (1927). Omdat het gros van de stille films de geschiedenis niet overleefd heeft, is het echter moeilijk om een helder beeld te krijgen van de voorstelling van homoseksualiteit in de eerste westerns. Bovendien zorgden acties van de katholieke Legion of Decency en de Hays-code in 1934 ervoor dat Hollywood eerst aan zelfcensuur ging doen en dat vervolgens 'seksuele perversie' als homoseksualiteit verboden werd. De western is lange tijd een van de meest conservatieve genres geweest, kijk maar naar de films van de crooners zingende Gene Autry. Pas in de loop van de jaren veertig worden verborgen verwijzingen, dubbelzinnige dialogen en handelingen omtrent homoseksualiteit in het genre binnengesmokkeld. Vooral het homoseksuele publiek weet die gecodeerde statements te lezen. Zelfs John Wayne, het westernicoon bij uitstek, ontsnapt er niet aan. In John Fords klassieker The Searchers (1956) zit bijvoorbeeld een kampvuurscène die, ook al bekijk je hem niet door een roze bril, ontegensprekelijk een ludieke homoseksuele connotatie heeft. We zien Wayne zijn oude knoken en achterwerk aan het vuur verwarmen, terwijl hij met zijn billen heen en weer schudt. Zijn jonge metgezel (rol van Jeffrey Hunter) ligt onder een deken vlak bij hem. Als Wayne - 'You're gonna tell me that John Wayne's a fag?', dixit cowboygigolo Jon Voigt in Midnight Cowboy (1969) - ettelijke grote blokken hout op het vuur gooit, gaat de boze Hunter op een andere zijde liggen, op zo'n manier dat zijn kont duidelijk van onder het deken komt. De rituele brutaliteit ten opzichte van jonge cowboys zoals in The Searchers vinden we ook in Howard Hawks' Red River (1948), een veedrijverwestern waarin The Duke en Walter Brennan voor de aandacht vechten van de knappe Matt (het debuut van Montgomery Clift). De haat-liefderelatie tussen Wayne en Clift voelt misschien meer aan als een oedipale ruzie of een generatieconflict, maar Clifts homoseksualiteit en een symbolische penisscène geven dit epos toch een aparte toets. Als Clift en John Ireland elkaars geweerlopen strelen, zegt Ireland: 'Weet je, er bestaan maar twee dingen die mooier zijn dan een goed geweer: een Zwitsers uurwerk of een vrouw van eender waar. You ever had a good... Swiss watch?' Met Clift stond er een nieuwe generatie van Hollywoodacteurs op, waartoe ook Marlon Brando en James Dean behoorden, die hun seksuele ambivalentie en kwetsbaarheid op het witte doek gingen etaleren: Dean in het neo-westerndrama Giant (1956), Brando onder meer met zijn excentrieke vertolking als geparfumeerde huurmoordenaar in vrouwenklederen in Arthur Penns bizarre, van homoseksualiteit doordrongen The Missouri Breaks (1976). Penn, die ook in Little Big Man (1970) een homoseksuele indiaan toont, heeft altijd al veel aandacht gehad voor 'sociale outcasts'. Zijn debuut The Left-Handed Gun (1958), naar een scenario en tv-stuk van auteur en scenarist Gore Vidal, is een homoseksuele interpretatie van het leven van revolverheld Billy the Kid (Paul Newman). Interessante voorbeelden van westerns met een homoseksuele subtekst zijn verder nog Bend of the River (1952), Anthony Manns psychologische studie van 'male bonding' tussen Jimmy Stewart en Arthur Kennedy; The Big Sky (1952), opnieuw van Hawks, waarin Kirk Douglas en Dewy Martin bedekt met elkaar flirten, net als Henry Fonda en Anthony Quinn in Edward Dmytryks Warlock (1959); en The Singer not the Song (Roy Baker, 1961) met Dirk Bogarde als brutale Mexicaanse bandito die zich obsessief aangetrokken voelt tot een toegewijde Ierse katholieke priester. Sam Peckinpah was even straight als het traject van een afgevuur-de kogel. Zijn cynische, gewelddadige en revisionistische westerns als Pat Garret & Billy The Kid, The Wild Bunch (1969) en Ride the High Country (1961) zijn echter niet alleen hommages aan de viriele kameraadschap tussen outlaws - waar ook Butch Cassidy and The Sundance Kid (1969) een puur voorbeeld van is - maar ook zoals een geïnspireerde criticus schreef 'perverse sacramenten van het mannelijke gebaar van wederzijds respect dat de angst voor de dood verdringt'. Nicholas Ray zette dan weer de westernconventies op zijn kop met Johnny Guitar (1953), een stilistische overrompelende genrefilm waarin hij het seksuele rollenpatroon omkeerde. Joan Crawford en Mercedes McCambridge dragen de broek en domineren de mannen in dit barokke melodrama over seksuele hypocrisie, dat evenzeer om zijn lesbisch statement als om zijn gay camp bewonderd wordt. Een meer eigentijdse variant op de lesbische western is Even Cowgirls get the Blues (1993), al kan die Gus Van Sant-film wat bizarre camp betreft niet tippen aan de Doris Day-musical Calamity Jane (1953), een biografie over de gelijknamige legendarische revolverheldin. Day zingt daarin Secret love, wat sommige historische boeken deed beweren dat Calamity een lesbienne was. Voor de echt controversiële en subversieve camp moeten we bij Andy Warhol en Lonesome Cowboys (1968) zijn. In Engeland is deze anachronistische western, waarin cowboys over make-up en haarstijlen discussiëren en balletpasjes uitvoeren, nog altijd verboden. Dat de popartkoning ook sadistisch kon zijn voor zijn publiek is bekend. In de avant-gardistische homocowboyromantiek Horse zit bijvoorbeeld een langgerekt shot van meer dan een half uur van een paard dat in de New Yorkse Factory hooi aan het eten is. Het is een scène die zelfs de meest homofobe kijker meer op de stang moet jagen dan de ontroerende liefdesromance tussen de twee schapenhoeders in Wyoming uit Brokeback Mountain. Luc Joris