'Ik kan niet rijmen. Ik ben geen rapper. Daarom heb ik maar deze film gemaakt.' Dat zei regisseur John Singleton over zijn debuutfilm Boyz n the Hood (1991), nog altijd een van de meest iconische hiphopfilms ooit. Singleton vertelde daarin het verhaal van Tre (Cuba Gooding Jr), een tiener uit de zwarte sloppenwijken van LA die moet kiezen tussen de verlokkingen van een leven als gangsta en de rechtgeaarde principes van zijn vader (Laurence Fishburne). Met Boyz n the Hood bereikte de rapsploitation-golf die begin jaren negentig de Amerikaanse filmwereld overspoelde een hoogtepunt. New Jack City (Mario Van Peebles, 1991), Menace II Society (Albert & Allen Hughes, 1993) en nog een handvol andere films schilderden - tagden - een weinig opbeurend portret van een generatie jonge zwarte mannen die hun armoedige afkomst probeerden te ontvluchten door te dealen of te moorden. En dat met personages die Scarface (1983) wilden kopiëren: ze verwachtten niet oud te worden, maar in de tussentijd wilden ze wel de rijkste en meest gevreesde gangsters van de buurt worden.
...

'Ik kan niet rijmen. Ik ben geen rapper. Daarom heb ik maar deze film gemaakt.' Dat zei regisseur John Singleton over zijn debuutfilm Boyz n the Hood (1991), nog altijd een van de meest iconische hiphopfilms ooit. Singleton vertelde daarin het verhaal van Tre (Cuba Gooding Jr), een tiener uit de zwarte sloppenwijken van LA die moet kiezen tussen de verlokkingen van een leven als gangsta en de rechtgeaarde principes van zijn vader (Laurence Fishburne). Met Boyz n the Hood bereikte de rapsploitation-golf die begin jaren negentig de Amerikaanse filmwereld overspoelde een hoogtepunt. New Jack City (Mario Van Peebles, 1991), Menace II Society (Albert & Allen Hughes, 1993) en nog een handvol andere films schilderden - tagden - een weinig opbeurend portret van een generatie jonge zwarte mannen die hun armoedige afkomst probeerden te ontvluchten door te dealen of te moorden. En dat met personages die Scarface (1983) wilden kopiëren: ze verwachtten niet oud te worden, maar in de tussentijd wilden ze wel de rijkste en meest gevreesde gangsters van de buurt worden. Dat handvol actiedrama's over het leven inda ghetto, gemaakt met een all-black cast en crew,is nog steeds emblematisch voor de hiphopcinema: het zijn de eerste films waar een mens aan denkt als de term als een vette beat gedropt wordt. Maar het begon allemaal veel onschuldiger. Ver van de underground vol drugs en geweld ging het genre van start met een resem onschadelijke dansfilms. Wild Style (Charlie Ahern, 1983) wordt beschouwd als de eerste hiphopfilm; een kleurrijke semidocumentaire over een graffitiartiest die rondhangt met breakdancers, beatboxers en rappers. Een verhaal was er nauwelijks - de prent is vooral een geïdealiseerde, muzikale milieuschets van black New York in de vroege jaren tachtig, inclusief een rolletje voor hiphoppionier Fab 5 Freddy en een optreden van diens collega Grandmaster Flash. Het duurde niet lang vooraleer het succes van Wild Style her en der werd gesampled, met snel en goedkoop geproduceerde dansfilms als Breakin' en Breakin' 2: Electric Boogaloo, allebei in recordtempo gemaakt in 1984. Daarna volgden Body Rock (1984), Rappin' (1985) en Fast Forward (1985). De films waren grotendeels inwisselbaar, met standaardplotelementen die keer op keer werden gerecycleerd: kansarme jongeren met een geweldig (break)dans- of raptalent die zich een weg naar een beter leven dansen en rappen. Opvallend is wel dat in de meeste van die films de protagonisten niet alleen op hun eigen belang uit zijn: heel vaak willen ze met hun dans- en muziekcompetities ook geld inzamelen om hun buurt te redden van (meestal blanke) rijke snoodaards. In tegenstelling tot de sombere toon van de latere gettofilmsgaf deze vroege hiphopcinema een naïef rooskleurig beeld van jongeren die hun talent en creativiteit gebruikten om uit de sociale miserie te raken. Boyz n the Hood leek erg ver weg. Eind jaren tachtig begon de realiteit steeds meer door te dringen. Spike Lee maakte in 1989 zijn eerste openlijk politiek getinte film met Do the Right Thing, een briljante donderpreek over een buurt waar de raciale spanningen tot een kookpunt komen op een hete zomerdag. Do the Right Thing was sterk geïnspireerd door de hiphopcultuur, met graffiti als een belangrijke visuele leidraad, een woedende thematiek over de ongelijkheden tussen arm en rijk, blank en zwart, en prominent op de soundtrack Fight the Power van Public Enemy. Een angry young black director had zijn stem gevonden. En hij zou niet de laatste zijn. In de jaren die volgden, brak zoals gezegd het tijdperk van de rapsploitation aan: films die het gangsta-leven waar NWA, Tupac Shakur en The Notorious BIG over rapten in beeld brachten. Met hun verhalen over drugs en bendegeweld hieven de regisseurs dan wel een waarschuwend vingertje, maar tegelijk cultiveerden ze die wereld. Neem nu New Jack City (1990), een gangsterfilm waarin een jonge Wesley Snipes de Scarface van dienst speelde, met Ice-T als de undercoveragent die hem probeerde te vatten. De flik was de ogenschijnlijke held, maar het was slechterik Snipes die de verbeelding van de kids kon vatten. En zo beukten nog films zich de mainstream in: Boyz n the Hood, maar ook Juice (1992), geregisseerd door Spike Lees regelmatige director of photography Ernest Dickerson, met Tupac in de hoofdrol, en Menace II Society van de gebroeders Hughes. Op een moment dat de raciale spanningen in de VS een nieuw hoogtepunt kenden - herinner u de affaire-Rodney King en de daaropvolgende rellen in LA - vertolkten die films de frustratie en woede van een groot deel van de zwarte jeugd. Niet dat het allemaal geweld en vernieling was. Ondertussen bleven ook luchtige komedies verschijnen die evenzeer deel uitmaakten van de hiphopcultuur. Denk aan de - nu hopeloos verouderde - films met Kid 'n Play, zoals de drie House Party-films en Class Act (1992). En wat gebeurde er toen? De subcultuur kalmeerde en verhuisde van de suburbs naar de mainstream. In de tweede helft van de nineties begon de hiphopcinema aan sociale woede en subversiviteit te verliezen en daardoor ook de blanke hitlijsten te veroveren. Tupac en The Notorious BIG werden neergeknald en de hardcore gangsta rap begon aan een langgerekte doodstrijd. Ice Cube en Ice-T speelden mee in Hollywoodfilms. John Singleton ging braaf vertier als Shaft (2000) en 2 Fast 2 Furious (2003) inblikken. En het tijdperk van 'Fresh Prince' Will Smith brak aan: de gezinsvriendelijke rapper die niet vloekte, geen drugs nam en in de blanke upperclasswijk Bel Air hokte. Voor zover er nog wat woede en agressiviteit in de hiphopcultuur zat, moest die ironisch genoeg komen van de melkbleke Eminem, met 8 Mile (2002) - of van 50 Cent, godbetert, die zijn laatste restje street credibility verkocht met de Hollywoodbiopic Get Rich or Die Tryin' (2005). En toen Three 6 Mafia een Oscar won voor het nummer It's Hard Out There for a Pimp - uit Hustle and Flow (2005) - leken Compton, The Bronx en andere broeihaarden van hitsige hiphop verder af dan ooit. EenMC als RZA raakte in zijn filmwerk de 'zwarte thema's' zelfs nauwelijks aan: hij schreef muziek voor Jim Jarmusch en regisseerde een pulpy actie-epos, The Man with the Iron Fists (2012). Het tijdperk van de hiphopfilm is voorbij, de rappers zelf zijn gedomesticeerd. Maar wie het vuur van de oldschoolgeneratie wil voelen branden, hoeft enkel Do the Right Thing nog eens op te zetten. Fight the power, indeed. DENNIS VAN DESSEL