1973
...

1973Film: ** 1974Film: ** (Twin Pics) 1961 Film: *** (Twin Pics) 1965Film: ** 1966Film: ** (Twin Pics) Ondanks haar naam - die ze van haar Zwitserse vader erfde - is Lina Wertmüller door en door Italiaans, mét de negatieve bijwerkingen: overdonderend stijlgevoel, neiging tot hysterische overdrijving en gezwollen retoriek. Een van haar stokpaardjes is de link tussen seks en politiek, een thema dat zowel Film d'amore e d'anarchia als Tutto a posto e niente in ordine overheerst. De eerste film is een politiek melodrama waarin enorm veel geroepen en getierd wordt. Fetisjacteur Giancarlo Giannini speelt een stuntelende provinciale anarchist die het in zijn hoofd haalt om naar Rome te reizen en er Mussolini te vermoorden. Hij beraamt zijn aanslag vanuit een bordeel, waar de hele film zich afspeelt en waar zijn liefdesleven zijn politieke agenda danig in de war stuurt. Ook in Tutto a Poste wordt de kleine man vermorzeld door het grote Systeem, dat hier wordt uitgebreid tot de maffia, de Kerk, de bourgeoisie en het Italiaans machismo. De naïeve jonge protagonisten gaan in Milaan op zoek naar fortuin en liefde, maar stranden in misdaad en armoede. Zoals in de beste Italiaanse komedies zit er flink wat maatschappijkritiek in verweven: zo is het de Kerk die door het verbieden van abortus en geboortecontrole een rechtschapen echt- genoot tot criminaliteit drijft. In het ironisch getitelde Divorzio all'italiana is er van echtscheiding nooit echt sprake. Een ontbinding van het huwelijk kwam in het Italië van 1961 niet eens in de wetgeving voor en werd pas in 1969 door het parlement gestemd. Een huwelijk kon alleen beëindigd worden met de dood van een van de echtelieden. Aan de andere kant bestond er wel een wet voor eremoorden, waardoor een bedrogen echtgenoot slechts een gevangenisstraf van drie tot zeven jaar riskeerde als hij om zijn onore te redden zijn overspelige vrouw vermoordde. Voor Pietro Germi is dit de springplank voor een met vitriool overgoten zedenkomedie. Daarin probeert een Siciliaanse aristocraat (Marcello Mastroianni in grote doen) zijn vrouw tot ontrouw aan te zetten, zodat hij haar uit de weg kan ruimen en de kust vrij is om met zijn zestienjarig nichtje (Stefania Sandrelli) te trouwen. Opmerkelijk is dat dit grimmige juweeltje uit de Commedia all'Italiana oorspronkelijk niet eens om te lachen was: Germi wilde een drama maken, maar langzamerhand kregen de tragikomische kanten van het verhaal de bovenhand, zodat de cineast uiteindelijk voor een groteske toon koos. Italianen en seksualiteit: bij deze heikele combinatie hebben taboes altijd welig getierd. Dat wist ook Pier Paolo Pasolini, die daarom begin jaren 60 Comizi d'amore maakte, een door de Franse cinéma véritébeïnvloede enquête over hoe zijn landgenoten omgaan met wat er in hun onderbuik leeft. Pasolini zou natuurlijk Pasolini niet zijn mocht hij de vrijmoedige of aarzelende ontboezemingen van voetballers, adolescenten en boeren niet kaderen met interventies van befaamde intellectuelen, onder wie de schrijver Alberto Moravia en de guerrillajournaliste Oriana Fallaci. Comizi d'amore is niet alleen een boeiend document over een mentaliteitsverandering in het Italië van 1962, maar is van alle reportages die Pasolini maakte ook zijn beste zelfportret. Op hetzelfde schijfje staat eveneens Pasolini's obscure neorealistische komedie Uccellacci e uccellini, over de omzwervingen van drie bizar geassorteerde reisgezellen: een vaderfiguur (gespeeld door de komiek Toto, een nationale legende), zijn onafscheidelijke jonge partner (Ninetto Davoli, die in veel van Pasolini's films de figuur van de boodschapper speelt) en een pedante raaf die aanhoudend marxistische wijsheden spuit. Vergeleken met de beroemde titels uit Pasolini's filmografie is deze satirische fabel soft, vrolijk, stuurloos en op geen enkele manier provocerend. Wat ook verklaart waarom hij nu zo goed als vergeten is. (P.D.)