Kenners noemen hem een monument, maar zelf ziet hij zich liever als een onderzoeker. drie jaar na ‘Top Secret’ heeft Marc Moulin een nieuw album vol jazzhouse klaar, dat verstrooiing moet bieden in deze barre tijden. ‘Ik wil belangrijk zijn in de onbelangrijkheid.’ Door Wouter Van Driessche

‘ENTERTAINMENT’

UIT OP 27/9 BIJ BLUE NOTE

Even voorstellen: Marc Moulin, een Brusselaar die bij oude jongeren vooral bekend staat als ‘de Belgische Saint Germain’, maar bij jonge ouderen ook een paar andere belletjes doet rinkelen. Voor hij zich met jazzhouse ging bezighouden, was de 61-jarige Moulin immers al een gelauwerd muzikant, producer en radiomaker, die een nauwelijks te onderschatten stempel drukte op de nationale én internationale muziekgeschiedenis.

Met zijn eerste groep Placebo stond Moulin in de vroege jaren zeventig aan de wieg van de fusion. Hij koppelde rock aan jazz en synthfunk, en creëerde zo de sound die Saint Germain & co jaren later een rustige oude dag bezorgde. Nadien bekeerde hij zich tot de synthpop met Telex, een groepje dat de bakens van de hedendaagse elektronica uitzette, en in één adem werd genoemd met Kraftwerk. Single Moscow Discow haalde de derde plaats in de Britse hitparade, en met songfestivalpastiche Eurovision zette het trio in 1980 zelfs het Eurovisiesongfestival in de zeik – enkel onverwachte punten van Portugal behoedden hen voor de laatste plaats. Tussen de bedrijven door vond Moulin ook nog eens de tijd om Front 242 te inspireren en baanbrekende rockradio te maken, die later als voorbeeld zou dienen voor Studio Brussel en Radio 21. En alsof dát nog niet kon volstaan, nam hij ook nog eens een paar soloplaten op, waarop hij met triphop avant la lettre experimenteerde. Zélf wuift de bescheiden Brusselaar het historische belang van zijn muziek graag weg, maar bij het vermaarde Blue Note-label dachten ze daar gelukkig anders over. Enkele jaren geleden boden ze hem dan ook als eerste Belg een contract om opnieuw housejazz te maken – na een ambientplaat in 1991 had Moulin de muziek vaarwel gezegd en zich omgeschoold tot columnist en theatermaker.

Wanneer we aanbellen ten huize Moulin, worden we meteen begroet door Sadie, het hondje dat vereeuwigd werd op de hoes van Entertainment. ‘Ze was in de studio altijd de eerste die mijn muziek te horen kreeg’, lacht onze gastheer. ‘Toen we op zoek waren naar een passende hoesfoto, was zij dan ook de eerste aan wie ik dacht.’

Vreemde naam wel, Sadie.

Marc Moulin: ’t Is een verbastering van Lady: haar naam toen ze in het asiel werd achtergelaten. Lady vonden we verschrikkelijk ordinair, dus gingen we op zoek naar iets anders. Om haar niet te veel te verwarren, hielden we ons bij dezelfde klanken, en zo kwamen we uit bij Cédille, de naam van het Franse lettertje, dat we uiteindelijk verkortten tot Sadie. Bij mijn weten zijn er geen andere honden die zo heten, maar daar zit ik niet mee. Liever een originele naam, dan een banale.

Moulin: O, jawel: ’t heeft geen haar gescheeld of Sadie was er een geworden. Ik was niet meteen voor het idee van een hond gewonnen. Zo’n Aibo leek me het ideale compromis, omdat hij zich min of meer als een échte hond gedraagt – c’est assez extraordinaire. Uiteindelijk heb ik er geen gekocht omdat iedereen me gek verklaarde. Het grootste bezwaar was blijkbaar dat je er niet van zou kunnen houden. Terwijl: ik zie niet in waarom dat bij schilderijen of antiek wél zou kunnen, maar bij robothonden niet.

Misschien omdat ze minder uniek zijn?

Moulin: Mmm… Ik heb eerder de indruk dat liefde voor elektronica nog steeds scheef wordt bekeken. Ga maar na: wie design of mooie kleren verzamelt, heeft stijl; wie een passie voor computers heeft, is een freak. Voor mij is mijn laptop nochtans veel meer dan zomaar een gebruiksvoorwerp: ’t is tegelijk een instrument, een toeverlaat en een partner, in goede én in kwade dagen. ( lacht)

Heeft hij een naam?

Moulin: Dat nog niet, neen, maar af en toe praat ik er wel tegen. Erger nog: ik kan er oprecht van houden, zeker als ik bedenk hoeveel moeilijker het vroeger allemaal was. Ik kom nog uit het tijdperk van de tapes, hé: elke fout die je maakte, was onherroepelijk, niets meer aan te veranderen. Als je dat vergelijkt met de mogelijkheden die er nu zijn… De laatste jaren is alles ook duizend keer eenvoudiger geworden. Om mijn allereerste Commodore op te starten, had je nog een diploma informatica nodig. Nu verlies ik vaak tijd omdat ik niet snap hoe simpel alles in elkaar zit.

Naast computers hou je duidelijk ook van lettertjes: Sadie is gebaseerd op cédille, de clip van ‘Silver’ is een ode aan de kalligrafie, je songs hebben titels als ‘Y.U.? (The Vowels Tune)’ en ‘Calligram’…

Moulin: ’t Zit behoorlijk diep, ja. Ik vermoed dat ik gewoon genetisch voorbestemd was. Mijn ouders leefden allebei van hun pen: mijn moeder schreef poëzie, en mijn vader publiceerde boeken over sociologie en geschiedenis. Af en toe nam hij me mee naar zijn drukker, en daar keek ik me altijd de ogen uit het hoofd. Toen Blue Note me een contract aanbood, dacht ik ook bijna onmiddellijk aan die prachtige Helvetica-hoofdletters op hun platenhoezen. (Haalt een verzamelbox van Herbie Hancock uit de platenkast) Regarde-moi ça: dat ziét er toch bijna even mooi uit als het klinkt?

Heb je ooit je handschrift laten ontleden?

Moulin: Neen, maar grafologie is wel een van de enige parallelle wetenschappen waar ik geloof aan hecht. De enige reden waarom ik er nog niet toe kwam, is dat ik ervan overtuigd ben dat het bij mij niet zou werken. Door mijn fascinatie voor lettertjes heb ik jarenlang het handschrift van al mijn buren op school gekopieerd – een beetje grafoloog zou me dus waarschijnlijk op staande voet schizofreen verklaren. ( lacht)

Toetsenist Hans Helewaut, die samen met je zoon bij Pause Café speelt, zei: ‘Je kan jazz met topsport vergelijken. Veel muzikanten die een fenomenaal niveau hebben bereikt, zijn tegelijk een tikje wereldvreemd.’

Moulin: De nagel op de kop! Je hebt natuurlijk genieën à la Herbie Hancock, die virtuoos geboren worden, maar dat zijn uitzonderingen. De meeste jazzmuzikanten houden er een Spartaans werkritme op na. Ze trekken zich met hun instrument terug en leiden een monnikenbestaan. Dat is ook een van de redenen waarom ik er indertijd mee ben gestopt. Ik kon het niet opbrengen om uitsluitend van mijn instrument te leven: ik zou gek geworden zijn.

Voor iemand die zoveel van letters houdt, schrijf je opvallend summiere songteksten. Zelfs ten tijde van Telex waren het vaak pure woordspelletjes à la ‘Pakmoväst/Esdanitoff’.

Moulin: Ik vind songteksten gewoon niet de meest geschikte format voor ideeën of grote inzichten: er is te weinig ruimte voor nuance, en uiteindelijk draait alles in de eerste plaats om klank. Als ik iets te vertellen heb, schrijf ik liever een column of een theatertekst: daar zijn persoonlijke ontboezemingen of grote boodschappen ook veel meer op hun plaats.

Naar verluidt verzamelde je de voorbije dertig jaar meer dan zestigduizend klanken. Wat is je lievelingsgeluid?

Moulin: Het gefluit van merels: laag maar toch ook melodieus – vraiment top. Doodjammer dat de kraaien hen bijna overal verjaagd hebben: tegenwoordig hoor je bijna alleen nog van dat ellendige gekras. Ook buiten de natuur hou ik eigenlijk vooral van lage en diepe geluiden: het gebrom van een V6-motor, het gezuig van het rubber als je de ijskast dichtdoet…

In de psychologie van de geluiden staan lage tonen voor ‘vertrouwd’ en ‘rustgevend’.

Moulin: Ja. Er is zelfs een theorie dat mensen die van lage tonen houden onbewust heimwee hebben naar de baarmoeder, waar alle geluiden gedempt klinken. Voor mij zou dat wel kunnen kloppen. Naast bas en contrabas hou ik het meest van instrumenten met een waterachtige sound: hammondorgels, gedempte trompetten – ook instrumenten die geregeld met de buik van de moeder worden geassocieerd.

Het is dus geen toeval dat je platen zo sonoor klinken?

Moulin: O neen, integendeel: als ik songs schrijf, moet ik echt een inspanning doen om af en toe schrille geluiden te gebruiken. Vroeger verweet ik mezelf vaak dat er te weinig contrast in mijn muziek zat, maar intussen weet ik wel beter: ik vind eentonigheid gewoon het mooist. ( lacht) De laatste jaren is het weer ‘in’ om platen vol te stouwen met allerlei klanken en geluiden, maar ik blijf vasthouden aan het less is more-principe. Voor Entertainment heb ik hooguit een zestigtal klanken gebruikt.

Je muziek is een collage van jazz uit de jaren vijftig en zestig, en houseritmes uit de jaren tachtig. Je zou bijna denken dat je de jaren zeventig en negentig opzettelijk negeert.

Moulin: Dat klopt, alleen komt er geen opzet bij kijken. In mijn hoofd bestaan de jaren negentig niet, omdat er qua muziek bijna niets spannends te beleven viel. Aan de jaren zeventig houd ik nog een paar goede herinneringen over, maar van de jaren negentig kan ik zelfs dát niet zeggen. Mocht ik niet beter weten, ik zou zweren dat ze nooit hebben plaatsgevonden. ( lacht)

Wat heeft de muziek uit de jaren vijftig, zestig en tachtig dan méér?

Moulin: Verbeelding! Over de jaren tachtig wordt vaak meewarig gedaan, maar toen was er tenminste nog fantasie. Idem voor de jaren vijftig en de vroege jaren zestig, die bovendien nog behoorlijk naïef waren. Vooral de jaren vijftig vind ik heel erg fascinerend. Eerst was er een soort sympathieke stripverhalenwereld, met zijn charmante en idiote kanten. God had het alleen voor het zeggen, tot Elvis op de proppen kwam en er plots ook een duivel was. Je kan dat heel goed horen aan de muziek uit die tijd. Na de doorbraak van de rock-‘n-roll was alle onschuld plots verdwenen.

Je hebt een diploma politieke en sociale wetenschappen, en je bent de zoon van een socioloog. Wat vertelt ‘Entertainment’ je over deze tijd?

Moulin: De meeste songs klinken heel erg comfortabel en warm: daaraan kan je horen dat ze in een periode van angst en twijfel zijn geschreven. Dat klinkt contradictorischer dan het is. Als alles goed gaat, kunnen mensen gemakkelijk duistere en dreigende muziek aan. In tijden van onzekerheid ligt dat anders: dan hebben ze verstrooiing nodig. Ik wil de wereld troosten met deze plaat, vandaar ook de titel Entertainment. Mijn boodschap aan de luisteraar is: les temps sont mauvais, faisons la fête et amusons-nous.

Je schreef in een van je ‘Hum£urs’ dat statistiek een oplossing kan zijn voor de angsten van deze tijd. Op welke manier?

Moulin: Mochten we af en toe wat meer cijferen, dan zouden we ons over veel dingen waarschijnlijk al een pak minder druk maken. Neem nu dat fameuze onveiligheidsgevoel waar de kranten alle dagen vol van staan. Statistisch gezien slaat dat werkelijk nergens op, want zelfs als de criminaliteitscijfers zouden vertienvoudigen, zou je nog bijna geen risico lopen om ooit slachtoffer te worden van een misdaad. Hetzelfde geldt trouwens voor terroristische aanslagen of vliegtuigcrashes: die maken zo weinig slachtoffers, dat je statistisch gezien veel meer kans loopt om dood te gaan aan een hartinfarct door je erin op te jagen.

Dus de moraal: ‘faisons la fête et amusons-nous!’

Moulin:Tu as tout compris. ( lacht) Denk nu wel niet dat ik oppervlakkigheid wil promoten, hoor. Ik vind het alleen belangrijk om bepaalde dingen te relativeren, en het leven niet ingewikkelder te maken dan het al is. Als ik muziek maak of theaterstukken schrijf, is mijn motto: traiter les choses importantes avec légèreté. Om een dramatisch verhaal te vertellen, zal ik eerder kiezen voor de komedie dan voor de tragedie: het verhaal blijft hetzelfde, maar in een komedie valt er tenminste nog wat te lachen.

Technogoeroe Jeff Mills zette ‘Moscow Doscow’ van Telex op zijn compilatiealbum ‘Choice – A Collection of Classics’, en Peter De Proft, een van de topmannen van Fortis, verklaarde onlangs dat hij Frans had geleerd door naar jouw programma’s op Radio Cité te luisteren.

Moulin: Dat doet me plezier. Ik weet me vaak geen houding te geven als mensen mijn muziek de hemel in prijzen. Ik zie mezelf helemaal niet als een ‘een pionier’ of ‘een vernieuwer’ – bij zulke woorden denk ik altijd aan Nobelprijswinnaars of geniale wetenschappers, die de mensheid écht vooruitgeholpen hebben.

Jij hebt de muziek toch vooruitgeholpen?

Moulin: Je zou kunnen zeggen dat ik links en rechts wat onderzoek verricht heb, ja. Toegepast onderzoek dan wel te verstaan: geen fundamenteel onderzoek, zoals de écht belangrijke mensen. Maar ik vind dat wel een fijn streven: belangrijk proberen zijn in de onbelangrijkheid. Quelque part, ça m’amuse.

Jeff Mills droomt ervan om zijn hersenprikkels via een computer rechtstreeks om te zetten in muziek. Zijn dat soort experimenten iets voor jou?

Moulin: O ja, absoluut! Er zijn wel al muzikanten geweest die hun hersengolven door synthesizers stuurden, maar het resultaat klonk me altijd iets te overtuigend – alsof er achteraf flink aan gesleuteld was. ’t Schijnt wel een gevaarlijke onderneming te zijn: ik las ooit dat de resonanties een soort overdosis genot kunnen veroorzaken, waarvan je kan sterven. Aan de andere kant zou dat wél een fantastische manier zijn om aan je eind te komen, natuurlijk: doodgaan aan een muzikaal orgasme!

Wouter Van Driessche

‘In mijn hoofd bestaan de jaren negentig niet, omdat er qua muziek bijna niets spannends te beleven viel.’

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content