Eerste zin Omhuld door een traag opstijgende wolk sigarettenrook speurt Schöne naar wijlen zijn vrouw.
...

Eerste zin Omhuld door een traag opstijgende wolk sigarettenrook speurt Schöne naar wijlen zijn vrouw. Bankier Alfred Schöne is op bezoek in het atelier van kunstschilder De Zwart, die niet kan zwijgen over Nim, het meisje dat hij aan het portretteren is. Nim, een onschuldig ding van achttien, woont samen met een veel oudere arts die De Zwart 'de Gnoom' noemt en die Nim klaarstoomt voor het ballet. Wanneer even later de Gnoom en Nim arriveren, herkent Schöne in haar het meisje dat hij een paar jaar eerder uit 'het asiel' haalde om te delen met zijn zoon Alfa, een beruchte choreograaf die - we zijn in het Amsterdam van 1988 - bekendstaat voor de expliciete seksscènes die hij van zijn dansers eist. Maar Nim is minder onschuldig dan gedacht. Even later treft de Gnoom haar aan met De Zwarts stijve lid tussen de lippen, wat hem stante pede een hartstilstand bezorgt. Vervang Nim door Lulu en er gaat u misschien een licht op. Persis Bekkering baseerde haar tweede roman, Exces, op Frank Wedekinds toneelstuk Erdgeist, het eerste deel van zijn Lulu-cyclus, over een wonderlijke, ongrijpbare vrouw die de fantasie van de mannen om haar heen op hol brengt en hen finaal de dood injaagt. En zo ook Bekkerings Nim, die je wellicht nog het best zou kunnen omschrijven als het centrum van een zwart gat, de totale leegte die alles opzuigt en vernietigt. Dat is wat deze vrouw, die Bekkering ons toont op cruciale momenten in de recente wereldgeschiedenis, doet. Of ze nu in het New York van 2001 is of in het Londen van 2008, over de instortende torens of de bankencrisis kom je niets te weten. Nim trekt van de ene raveparty naar de andere illegale club en danst, danst, danst. Niets heeft nog betekenis of waarde in de wereld van Nim. Haar fin de siècle kent geen einde. Af en toe legt Bekkering het er wat te dik op, zeker in het laatste hoofdstuk, dat in corona-2020 speelt en waarin MeToo en de cancelculture ter sprake komen, maar meestal is ze gewoon grandioos goed, zoals in het Londen-hoofdstuk, dat één lange monoloog is van een wc-madam - of is het een wc-meneer? - die een lijk gevonden heeft in een van de hokjes. Daar vloeit haar taal, zit het ritme perfect en besef je opeens wat De Zwart voor Nim gevoeld moet hebben.