'JIGSAW CIRCUS INTERNATIONAL MUSIC VIDEO FESTIVAL'
...

'JIGSAW CIRCUS INTERNATIONAL MUSIC VIDEO FESTIVAL'VAN 11 TOT 18/2 IN BRUSSEL, ANTWERPEN EN GENT. INFO : WWW.JIGSAWCIRCUS.COMEnkel als je brein ondertussen volledig aan de kook is gebracht door de overdosis clips die MTV tegenwoordig per strekkende meter oplepelt, geloof je dat het fenomeen video tegelijk met dit commerciële muziekstation is ontstaan. Onzin natuurlijk. In zekere zin is de videoclip minstens even oud als het filmmedium zelf. Tenminste indien het woord, een interagerende collage van beeld en muziek, in zijn meest brede betekenis mag worden geinterpreteerd. Of hoe noem je anders de slapstick- reels voortgestuwd door livepianobegeleiding uit de pionierstijd van Hollywood? Het fanatieke knip-en-plakwerk van dadaïsten en surrealisten, ritmisch gemonteerd op de soundtrack van contemporaine avant-garde componisten? Of het werk van de grootmeesters uit de Russische Montage-school, die in hun razendsnel verknipte wisselwerking tussen beeld en muziek zelfs een dialectisch discours meenden te bespeuren? De geboorte van de videoclip is niet terug te voeren tot één welbepaalde datum. Wie de genese van het medium wil analyseren, moet lukraak zappen door de film- en muziekgeschiedenis. Om het met de woorden van Peter Greenaway, blijkbaar in een cultuurfilosofische bui, te zeggen: 'De geschiedenis, die bestaat niet. Er zijn enkel geschiedkundigen.' Neen, zelfs de diepste denker bij Motley Cruë had het niet snediger kunnen verwoorden. Een Fransoos die in de jaren vijftig een franc liet glijden in de jukebox kreeg er vaak gratis een miniatuur filmprojectie bij. Deze Scopitones waren dan ook een heuse rage tijdens les années ye-ye, toen de Franse hitparade werd bestookt door Dalida, Johnny Hallyday en Françoise Hardy. Het historisch belang van deze wonderbaarlijke toestellen zat hem trouwens niet alleen in de machinerie. De jukebox legde meteen ook een van de allergrootste pijnpunten van de moderne popcultuur bloot: het onmiskenbare feit dat popmuziek meestal een 'gezicht', een 'beeld' of een 'imago' van een vedette nodig heeft om door de tieners - het makkelijkst te manipuleren en ondertussen kapitaalkrachtig geworden doelpubliek - te worden geconsumeerd. Begin jaren zestig zou de Scopitone echter van het toneel verdwijnen. En dat omdat de primitieve clipjes niet meteen getuigden van veel visueel raffinement. Zo volstond het meestal om het beeld van een bepaalde artiest simpelweg tegen een groteske achtergrond te pleuren. De exuberante dansnummers van Berkeley - zowat de invloedrijkste choreograaf uit de golden age van de Hollywoodmusical - kenmerkten zich vooral door eindeloze galerijen aan langbenige showgirls waarrond de camera de meest sierlijke capriolen maakte. Berkeleys choreografieën - van Gold Diggers tot Footlight Parade - hadden bovendien meestal nauwelijks wat met de eigenlijke musicalplot te maken, waardoor ze vrijwel volledig op eigen, in netkousen gehulde benen kwamen te staan. Dankzij hun geometrische patronen en muzikaal aangedreven montage zijn Berkeleys muzikale sequensen dan ook te beschouwen als videoclips avant la lettre. En dat terwijl Queen-opperhoofd Freddie Mercury, een rockvideopionier die zich ook wel eens in netkousen hulde, zelfs nog moest worden geboren. Natuurlijk denkt u nu vooral aan de nog steeds kakelvers ogende muzikale sequenties uit 's mans verrukkelijke Beatles-vehikels als A Hard Day's Night of Help! Toch was Lester al langer in de weer met audiovisuele experimenten, zoals het monteren van statische composities binnen één en hetzelfde decor, waardoor er een illusie van beweging ontstond. In zijn musical It's Trad Dad uit 1962 oogde die techniek nog nagelnieuw, ondertussen is ze - wel tien biljoen gelijkaardige videoclips later - even gedateerd als de garderobe van Yves Leterme. De invloed van de Europese avant-gardecinema op de ontwikkeling van de videoclip is nauwelijks te overschatten. Zo is elke clip die tegenwoordig op MTV passeert wel rechtstreeks te linken aan René Clairs Entre'acte (1924), een surrealistisch beeldenballet op de tonen van Erik Satie, of aan Luis Buñuels Un Chien Andalou (1929), een woeste mix van intuïtieve associaties, bizarre superposities, rottende kadavers en gezwind doorkliefde oogballen. Het ontrafelen van de narratieve logica en het ritmisch jongleren met droombeelden is tenslotte dé bron waaraan de popvideo, een serie snel gesneden, autonoom gegenereerde beelden die het nummer illustreren, aanjagen of omkaderen, zich uiteindelijk zou laven. Of hoe Britney Spears in zekere zin het verre achternichtje van Buñuel, Cocteau of Man Ray is. Cocteau, aan haar wipneusje te zien. De allereerste muziekfilmpjes - u weet wel, het soort veredelde reclamespots waarin een of andere heimatzanger tegen een bordkartonnen decor staat te playbacken, ondersteund door een trosje wiegende blondines - waren de zogeheten Snader Telescriptions. Daarvan werden er in Amerika tussen 1950 en 1954 een duizendtal ingeblikt, oorspronkelijk bedoeld als interludium tussen tv-programma's en later ook op het witte doek vertoond om de bioscooppauze op te vullen. Het resultaat was meestal absolute camp, en de filmpjes beleefden recent nog een tweede jeugd dankzij tal van video- en dvd-compilaties zoals Showtime at the Apollo. Er is nog hoop, Jo Vally. Toegegeven. Er zijn meer voor de hand liggende voorbeelden te noemen van filmklassiekers waarin hele scènes werden gemonteerd op het ritme van een welbepaald muziekstuk dan Fritz Langs utopische sciencefictionparabel Metropolis (1927), een stomme film nota bene. Zo schiet ons alvast meteen de epische veldslag op de ijsvlaktes van Eisensteins Alexander Nevsky te binnen (op muziek van Prokofiev) of Disneys klassieke muziek-droom Fantasia. Toch werd Metropolis qua beeldvocabularium en mathematisch-seriële cameravoering een van de belangrijkste inspiratiebronnen voor het nieuwe medium. Zo omzwachtelde Giorgio Moroder de director's cut in 1984 nog met een gloednieuwe soundtrack, opgetrokken uit een batterij synthesizers en de vocalen van Bonnie Tyler, Pat Benatar, Jon Anderson én - daar heb je hem weer - Freddie Mercury, wat in feite een twee uur durende videoclip opleverde. Bovendien zou Queen zich ook van Langs futuristische decors en vlijmscherpe sequensen bedienen voor Radio Ga Ga, een van de fraaiste dingen die MTV in haar begindagen door de beeldbuis joeg. Dat zelfs de multimediale technogoeroe Jeff Mills voor Metropolis een eigen soundtrack componeerde, hoeft dan ook geenszins te verbazen. In 1981 kreeg het medium haar krachtigste impuls toegediend, even opwekkend als een dosis chrystal meth. De muziekindustrie kreeg met de komst van MTV Amerika - een televisiestation dat de klok rond videoclips draaide - immers het gedroomde forum om haar producten voortaan aan het grote publiek te slijten. In geen tijd werden singles dan ook in audiovisuele promovehikels geduwd die de (post)moderne beeldesthetiek ingrijpend zouden beïnvloeden. Een bliksemsnelle montage, een energieke cameravoering, het digitaal of manueel manipuleren van beelden én het doorbreken van de ruimte-tijd-logica worden de kenmerken van de moderne videoclip. En het promoten van allerlei foute kapsels en fluorescerende maillots natuurlijk. Nee, we zijn de heren Boy George, Kajagoogoo en David Lee Roth nog lang niet vergeten. Door Dave Mestdach