'It's a rare issue that I don't read from cover to cover', mag Paul Auster zeggen op de homepage van het zeventigjarige Sight & Sound. Het filmtijdschrift werd in 1932 opgericht door de Commission on Educational and Cultural Films als een voorbode voor de stichting van het British Film Institute - kortweg BFI. Aan de grondslag lag een soort geestdrift over de goedkope verspreiding van het beste wat de film had te bieden, los van studio-invloed of censuur. Het grote publiek zou er beter van worden, aldus het motto. In zijn vroege jaren kon je in het ...

'It's a rare issue that I don't read from cover to cover', mag Paul Auster zeggen op de homepage van het zeventigjarige Sight & Sound. Het filmtijdschrift werd in 1932 opgericht door de Commission on Educational and Cultural Films als een voorbode voor de stichting van het British Film Institute - kortweg BFI. Aan de grondslag lag een soort geestdrift over de goedkope verspreiding van het beste wat de film had te bieden, los van studio-invloed of censuur. Het grote publiek zou er beter van worden, aldus het motto. In zijn vroege jaren kon je in het kwartaalblad Sight & Sound nog instructies vinden over hoe je een projector in een klaslokaal kon installeren en welke films je moest draaien. Daarnaast kwam het er vooral op aan de cinema - meer specifiek de Britse cinema - van zijn potentieel bewust te maken. Zijn kracht als waarnemend, reflexief massamedium moest worden gebruikt om de maatschappelij te verbeteren. Die missie - onder meer uitgedragen door critici als Paul Rotha maar ook door schrijvers als Graham Greene - drukte beslist zijn stempel op de Britse cinema maar wordt in de polls afgestraft, aangezien er in de top-10-lijstjes van de voorbije vijftig jaar slechts twee Britse films voorkomen. De toon was uitgesproken cinefiel, met enige minachting voor het 'vulgaire' Hollywood en het studiosysteem, een chauvinistische houding tegenover de Britse cinema, maar ook een grote liefde voor al wat Frans was en een moreel geïnspireerde verdediging van kleine, onafhankelijke films en stromingen als het neorealisme. Over de decennia heen herontdekten de critici Hollywood, zeker sinds Andrew Sarris in 1963 het filmkritisch landschap hertekende met een door auteurism gedreven overzicht van de Amerikaanse cinema. Onder het redacteurschap van Gavin Lambert en Penelope Houston werd het blad een gezaghebbende stem maar in de sombere jaren tachtig was het pessimisme over de cinema niet ver weg. Een recente uitspraak van Houston bevestigt dat: 'Filmkritiek is vervelend. Wie wil er nu zijn dagen slijten met het bekijken van special effects-films uit Hollywood die gemaakt zijn voor vijftienjarigen?' Met gewezen hoofdredacteur Philip Dodd (nu director van het Londense ICA) en huidig hoofdredacteur Nick James ontwikkelt het blad zich in de jaren '90 tot een van de meest luxueuze filmbladen, dat intussen maandelijks zijn blik dicht op de wereldcinema houdt, regelmatig gastbijdragen van grote persoonlijkheden brengt en kan rekenen op gedegen recensenten en commentatoren. De site, ondergebracht in het internethuis van het BFI (www.bfi.org.uk) is een paleis voor de cinefiel. Sight & Sound gaat nog steeds diep, breed en ver, getuige daarvan het augustusnummer, dat zowel Spielbergs Minority Report als Aleksandr Sokurovs Russische Ark bekijkt, en voorwaar ook nog de moed verzamelt om onze eigen Harry Kümel in de schijnwerper te plaatsen!