Iedereen zit wel eens diep. Liefdesverdriet, een verloren vriend of simpelweg weltschmerz, de put lonkt voor elk van ons. Mits tijd, vrienden, kippensoep, een warm dekentje en in het ergste geval wat antidepressiva raak je er meestal bovenop.
...

Iedereen zit wel eens diep. Liefdesverdriet, een verloren vriend of simpelweg weltschmerz, de put lonkt voor elk van ons. Mits tijd, vrienden, kippensoep, een warm dekentje en in het ergste geval wat antidepressiva raak je er meestal bovenop. Anders is het wanneer je, net als de Kleine en de Grote, letterlijk in een put zit. Een put van zeven meter diep, en helaas in het midden van een verlaten bos waar niemand je kan horen. Hoe de twee broers daar verzeild zijn, is aan het begin van deze fabelachtige novelle van de Spanjaard Iván Repila nog een raadsel. Net zoals de reden waarom ze hun ransel met proviand liever begraven dan plunderen. Veroordeeld tot een dieet van wormen, kevers, taaie wortels en brak water blijven de jongens op de modderige bodem zitten. Zeker, ze hebben pogingen ondernomen om te ontsnappen. Schreeuwen hielp niet, geboetseerde treden verzakten en die ene keer dat de Grote de Kleine naar boven probeerde te slingeren, berouwen ze zich nog altijd. Samen trotseren ze honger, kou, droogte en overstromingen. En de tijd, die sijpelt samen met hun gezond verstand langzaam weg. Vooral de Kleine heeft last van hallucinaties - misschien omdat de Grote hem bewust ondervoed houdt, misschien omdat hij nooit helemaal spoorde. Gaandeweg wordt de bodem van de put een arena waarin zich een felle broederstrijd ontspint, en hoewel de Grote fysiek sterker is - hij eet meer en doet elke dag aan gymnastiek - beschikt de Kleine over een messcherpe woordenschat en revolutionaire ideeën. Het zijn vooral die brandende gedachten die deze novelle boven het niveau van een grimmig sprookje uittillen. Dat Repila zijn boekje opent met een neoliberaal citaat van Margaret Thatcher, is dan ook een waarschuwing aan de lezer: dubbele bodems in overvloed. Zo spreekt de Kleine over de verpauperde bevolking en de dom gehouden schoolkinderen, en organiseert hij zelfs een heuse kunsttentoonstelling in zijn aarden gevangenis. Zijn ideeën zijn radicaal: wat als we gevangenen in het openbaar in kooien zouden ophangen - zo krijgen misdadigers een plaats in de maatschappij en kunnen ze ons aansteken met abjecte gedachten. Toch is dit geen als beckettiaans sprookje vermomd pamflet, evenmin als een herwerking van Plato's allegorie van de grot. Dat soort luie eenduidigheid is aan Repila niet besteed, en gelukkig maar. Want hoewel Repila als Spanjaard zeker iets te vertellen heeft over de rampspoed die het neoliberalisme over het zuiden van Europa heeft uitgestort, kun je zijn novelle op veel manieren interpreteren. Gaat het over solidariteit in donkere tijden, over de meritocratie, of toch over broederliefde die alle tegenslagen overwint? En wat met de afwezige moederfiguur? Symboliseert zij de staat die opvoedt maar ook hardt? Vragen te over, en de antwoorden liggen waarschijnlijk als broodkruimels verstrooid in deze literaire mokerslag. Die vindt u vast als u dit kleinood herleest. Vaak, en met groeiend genoegen. DE JONGEN DIE HET PAARD VAN ATTILA STAL **** Iván Repila, De Bezige Bij (originele titel: El niño que robó el caballo de Atila), 124 blz., ? 16,90. RODERIK SIXCENTRALE ZINNEN 'Je praat niet met mij. Ik ben de echo.'