TATE MODERN
...

TATE MODERN BANKSIDE IN LONDEN, VAN 27 Mei tot 5 september. www.tate.org.uk Grote kunst toont het innerlijke leven van de kunstenaar, en uit dit innerlijke leven volgt een persoonlijke visie op de wereld. Zo luidde de definitie van Edward Hopper (1882-1967), hoewel niets erop wijst dat de Amerikaan zichzelf als een hoogvlieger zag. Ik ben er nooit in geslaagd te schilderen wat ik wilde schilderen, zei hij. Zijn persoonlijke odyssee, gestoeld op het motto I'm after ME, resulteerde in een bejubeld oeuvre, maar niet in een artiest die tevreden achteroverleunde na een geoliede carrière. De beroemde New Yorker was bedreven in het typeren van het 20e-eeuwse Amerika. Hij concentreerde zich op gevels en kerkjes in de late namiddag, en op mensen die lusteloos voor zich uit staren in cafés en hotelkamers. Vooral de schilderijen bij valavond ademen een verloren lust uit, van mensen die het contact verloren en worstelen met een bijna fatale teleurstelling. Die typische, in zichzelf gekeerde eenzaamheid nam toe met de jaren. Hoppers composities werden gaandeweg scherper en contrastrijker, zijn protagonisten alsmaar sterker ge-isoleerd. Daardoor kwam Hopper steeds meer bezield en overtuigender uit de hoek. Schilderen beschouwde hij als een uiterst private aangelegenheid, een reflectie over erotiek, isolement, verlies en dood. Hij schilderde aangepaste versies van wat hij zag en deed er verder overwegend het zwijgen toe. Zo ging Hopper de geschiedenis in als een timide kunstenaar die weinig over zichzelf losliet. Zijn vrouw Jo echter hield nauwlettend toezicht op het publieke imago van haar man. Ze fungeerde als model en bedacht verhalen bij de personages en hun verstoorde verhoudingen. Na een periode van relatieve stilte opent Tate Modern met een grote overzichtstentoonstelling. Curator Sheena Wagstaff bepleit er de diepgaande standpunten over de menselijke conditie - Hopper zelf lag daar niet van wakker - en het belang van licht en architectuur als versterker van vervreemdende en psychologische spanningen. De retrospectieve begint met vroeg werk uit Hoppers Parijse periode en klimt op naar het sleuteljaar 1924. Hoewel hij de veertig al ruim gepasseerd was, begon Hopper zich pas dan voltijds op kunst toe te leggen. Vanaf de jaren dertig gaat het almaar bergop en levert Hopper ettelijke pronkstukken af. In Room in New York ('32) laat hij ons door een open venster meekijken naar een uitgeblust echtpaar in een zitkamer. Gas ('40) focust op een verlaten tankstation met een al even verlaten man, en in Nighthawks ('42) zit een koppel in een bijna lege bar, afwezig en dof alsof ze door een speling van het lot in een verkeerde scène terechtkwamen. Het overzicht is uitgebreid met een Hopperiaans filmprogramma (met films van onder meer Hitchcock en Francis Ford Coppola) en reist na september door naar Museum Ludwig in Keulen. Els Fiers