BERICHT VANUIT HET INNERLIJK
...

BERICHT VANUIT HET INNERLIJK Paul Auster, Arbeiderspers (originele titel: Report from the Interior), 300 blz., ? 21,95. Zesenzestig is Paul Auster. Een vreemde leeftijd. Te laat voor een midlifecrisis, te vroeg voor de ouderdomskwaal die memoireszucht heet. Toch lijkt hij van beide last te hebben. De eerste symptomen waren al merkbaar in Een manier van vriendschap, de gepubliceerde correspondentie die hij met Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee onderhield. Erudiet bij vlagen, precies - zeker van de kant van Coetzee - en geestig. Maar er werd tussen beide heren ook veel over sport gekwekt; Coetzee houdt van cricket, Auster is verslingerd aan honkbal. Enigszins ontluisterend, maar kom, boys will be boys en de literaire boog kan niet altijd gespannen staan. Daarna volgde Winterlogboek, waarin Auster een eerste voorzichtige poging tot memoires neerpende. Het uitgangspunt - de geschiedenis van mijn lichaam - was interessant, er bestaan slechtere kapstokken als geheugensteun, maar ook daar toonde Auster zich vaak wijdlopig. Opa vertelt, vooral over zijn periode in Parijs, neefje onderdrukt een geeuw en hoopt dat zijn Erasmusjaar gauw aanbreekt. Na het lichaam, de geest. Een mens mag hopen dat die van een Amerikaanse auteur die Orakelnacht en Man in het duister schreef toch enige boeiende hoekjes kent. Maar hoop is de ergste van alle plagen - we hadden, zoals altijd, naar Nietzsche moeten luisteren - en Auster slaagt erin de lezer bijna driehonderd bladzijden lang te kwellen met nauwelijks uitgewerkte kladjes. In het eerste deel haalt hij vooral jeugdherinneringen op: als kind opgroeien in New Jersey, zijn Joodse roots ontdekken, met vrienden honkbal spelen op een veldje, tekenfilms bekijken, op kamp gaan. Eerlijk, en best netjes opgeschreven - dat mocht er nog aan mankeren - maar bijzonder boeiend is het niet. An average kid on the block, niet meer, niet minder. Soms een ontroerend moment, Austers eerste dansavond, maar daar heeft iedereen van mogen proeven, en iedereen heeft ooit blauwtjes gelopen of kattenkwaad uitgehaald. Auster doet er niks mee, noteert slechts, ziet wel waar het eindigt. Bij 'Twee mokerslagen', het tweede deel en mocht de titel al beterschap doen vermoeden - weeral die vervloekte hoop - het kan niet lelijker tegenvallen. Auster is een filmfanaat en besluit twee prenten die zijn bestaan drastisch omver hebben gegooid, The Incredible Shrinking Man (1957) en I Am a Fugitive from a Chain Gang (1932), met de lezer te delen. Integraal. Scène voor scène. Uitgeschreven. Droogweg. Handig voor de cinefielen onder ons, maar die zouden misschien op het vermetele idee komen om de films te gaan bekijken. Bespaart je alvast zestig pagina's. Auster spaarde het ergste voor het einde. Wanneer zijn ex Lydia Davis hem een pakket oude brieven stuurt, kan hij zijn plezier niet op: net de tijdscapsule die hij nodig had om nog eens over zijn Parijse periode te ratelen. Omdat je het als lezer van op de eerste rij zou kunnen meemaken, besluit hij de brieven over te typen. Integraal. Droogweg. (De synoniemen om frustratie te benoemen zijn op.) En o ja, als u zich daardoor geworsteld hebt: er is nog een fotokatern van honderd pagina's. Screenshots van films. Foto's van Parijse boulevards. Overbodig, zoals het hele boek eigenlijk. RODERIK SIXSLEUTELZINNEN In het aangezicht van het kwaad was God net zo hulpeloos als de meest hulpeloze mens en zij die in hem geloofden, waren ten dode opgeschreven. Dat was de les die Mars Attacks je die avond leerde.