Vijf uur voor stage time. Het is zondag in de late namiddag, eind juni, de zon schijnt en Lander Gyselinck is samen met de muzikanten van alt-J een giraf aan het aaien. De pick-uptruck van de parkranger is tot bijna tegen de kudde gereden; het gezelschap zit op strobalen in de overvolle laadbak. De giraffen zijn nog een stuk groter als ze net naast je staan. Behoorlijk moeilijk om een selfie mee te kadreren, te oordelen naar de alt-J'ers, die met hun gsm de juiste hoek zoeken. 'Goed vasthouden', roept de chauffeur door het open achterraam. Voor ik 'Vasthouden aan wat?' kan vragen, rijden we tegen zestig kilometer per uur richting de kamelen, dwars over een soort Teletubbyland: een tapijt van kortgeknipt groen gras over glooiende, onnatuurlijke heuveltjes.
...

Vijf uur voor stage time. Het is zondag in de late namiddag, eind juni, de zon schijnt en Lander Gyselinck is samen met de muzikanten van alt-J een giraf aan het aaien. De pick-uptruck van de parkranger is tot bijna tegen de kudde gereden; het gezelschap zit op strobalen in de overvolle laadbak. De giraffen zijn nog een stuk groter als ze net naast je staan. Behoorlijk moeilijk om een selfie mee te kadreren, te oordelen naar de alt-J'ers, die met hun gsm de juiste hoek zoeken. 'Goed vasthouden', roept de chauffeur door het open achterraam. Voor ik 'Vasthouden aan wat?' kan vragen, rijden we tegen zestig kilometer per uur richting de kamelen, dwars over een soort Teletubbyland: een tapijt van kortgeknipt groen gras over glooiende, onnatuurlijke heuveltjes. Er zijn ook zebra's. Het is een vreemde, vreemde zondagnamiddag. VOOR HET DERDE JAAR OP RIJ WORDT MUZIEKfestival Best Kept Secret georganiseerd in het Nederlandse Hilvarenbeek, een half uur rijden van Antwerpen, hier op het terrein van safaripark Beekse Bergen. Andere festivals moeten hun artiesten met catering soigneren, Best Kept biedt giraffen aan. 'What band are you in?', vraagt een van de alt-J'ers aan Gyselinck. Ze zijn net weer uitgestapt en op weg naar het artiestendorp, een rist Instagramlikes rijker. 'Stuff. With a dot at the end. Sorta live crossover between jazz, hiphop and electronica. I play drums.''Sounds cool.''We play on stage Two just after you finish.''Okay. We'll come check you guys out.'LANDER GYSELINCK INTRODUCEREN ALS DE drummer van Stuff - gestileerd als STUFF., met een punt dus - is als zeggen dat Mauro Pawlowski de gitarist van dEUS is. Het klopt, maar er is nóg. Er is ook LabTrio, zijn jazzband. Er is het Kris Defoort Trio, dat dit najaar met Josse De Pauw de voorstelling An Old Monk herneemt. Er is Sinister Sister, een instrumentale Zappa-tributeband. Er is Beraadgeslagen, met Fulco Ottervanger van De Beren Gieren. Knownalone, zijn soloproject, opgedragen aan Jennifer Lopez. Ragini Trio, dat jazz en Indiase klassieke muziek samenbrengt. En dan is er dus Stuff, de instrumentale band die hij vier jaar geleden oprichtte met toetsenist Joris Caluwaerts, saxofonist Andrew Claes, bassist Dries Laheye en turntablist Mixmonster Menno. Wat begon als een gelegenheidsgroep in de Gentse White Cat, is uitgegroeid tot de meest energieke liveband van het land. 'Waren dat al je bands?' 'Euh.' Hij denkt na. 'Je bent Howard Peach vergeten, een New Yorkse band waar ik in zit.' 'Krijg jij korting bij een band-name generator of zo?' Nog meer dan er bandnamen zijn, zijn er adelbrieven. Al sinds zijn 23e wordt Gyselinck het grootste drumtalent van het land genoemd. John Zorn vroeg hem ooit om een paar sessies mee te komen spelen in The Stone, Zorns club in New York. Hij stond op het podium met Georgia Anne Muldrow, heldin van hiphoplabel Stones Throw. Stéphane Galland, de drummer van AKA Moon en een van de meest virtuoze muzikanten van België, noemde hem een inspiratie. Tom Barman en de gebroeders Dewaele hebben hun bewondering voor hem uitgedrukt. Jamie Woon gaf hem na een optreden ooit zijn nummer met de woorden: 'Je bent mijn droomdrummer. Bel me.' Hij heeft nooit gebeld. Als je hem ziet, snap je ook waarom hij zo gewild is. Gyselinck heeft star quality. Hij ziet eruit als een misdienaar op Nikes, met zijn rechte frou en zijn cherubijnse gelaatstrekken. Hij oogt ook jonger dan de 27 jaar die hij is. Maar geef hem twee drumstokken en hij haalt met souplesse de meest verknipte ritmes uit zijn drumkit. Een drummer als main attraction: het moet van Phil Collins geleden zijn. EEN UUR VOOR STAGE TIME. DE AVOND IS GEVALLEN, de dieren staan op stal. Terwijl de laatste noot van The Wheel nagalmt, komt een bezwete Sohn door de gordijnen aan de zijkant van het podium af. Prima concert. Zijn tourmanager high-fivet hem, terwijl hij langs de vijf heren van Stuff passeert. Die zijn achter het podium hun materiaal aan het opstellen. Het ziet er ingewikkeld uit. Heel veel kabels. 'Dit is een van die momenten dat ik de jazzscene mis', zegt Gyselinck. 'Hoezo?' 'Met een jazzband kom je aan, je stelt op en je begint te spelen. Hier moet je opstellen, op de micro's wachten, alles naar het podium verplaatsen, soundchecken en heel lang wachten.' Wachten wil ook zeggen: zenuwachtig worden. De tent is na het concert van Sohn helemaal leeggelopen. Weinig aanblikken zo schrikwekkend als een lege zaal vanaf het podium waarop je zo meteen moet spelen. Het festival afsluiten na alt-J is een mooie plek op de affiche, maar ook geen evidente. Best Kept Secret is de eerste grote Nederlandse show van Stuff. Hun plaat is er die dag uitgekomen. Bovendien is het festival aan zijn laatste avond toe: zal een afgepeigerd publiek nog de moeite doen om een onbekende band te ontdekken? Terwijl de rest van de band een rituele gin and tonic gaat zoeken, is Gyselinck nog altijd met steeksleutels in de weer. Geen twee onderdelen lijken bij elkaar te passen. Op zijn basdrum monteert hij twee bongo's, daar waar normaal twee toms horen. Er zijn niet één maar twee snaredrums, de ene iets groter dan de andere. Alle cimbalen staan op een andere plaats dan ze horen te staan - hij speelt linkshandig op een rechtshandige drum. In de zak tegen zijn floor tom steken kettingen, kleine cimbaaltjes om op zijn snaredrum te leggen en een oranje plastic buis waarvan ik niet weet waarvoor ze dient. ''t Is een beetje een lelijk eendje, hé', zegt hij wanneer hij me ziet kijken. 'Als je het zelf zegt.' 'Ik zoek liever een drumstel als dit dan zo'n vintage kit. Koop de drum van Ringo Starr of John Bonham, en je klinkt als Ringo Starr of John Bonham. Voor een eigen geluid heb je iets meer sleutelwerk nodig.' Hij legt het matje klaar dat zo meteen onder zijn drum gaat. Een groene speelmat van Ikea, zo eentje waar je met speelgoedautootjes over kunt rijden. LANDER GYSELINCK: Ik heb geen vaste drum. Mijn drum is permanent in evolutie, eigenlijk al sinds het begin. Mijn eerste drum heb ik voor sinterklaas gekregen toen ik vijf was. Ik zie me nog in de living staan. Zaterdagochtend, pyjama, en voor me zo'n plastic kinderdrum. Heel crappy. Het basdrumpedaal had geen scharnier, je moest het plooien en ik moest er met eetstokjes op spelen, anders mepte ik door de vellen heen. Na een half jaar werd alles bij elkaar gehouden met nietjes en plakband. Maar voor mij was het een wereld op zich. Een vriendje had hetzelfde drumstel: ik heb hem kunnen overtuigen zijn basdrum aan mij te geven - had ik er twee. Een andere vriend had een echte drum staan: van hem heb ik de snaredrum kunnen lenen. Zag er wel grappig uit: die snare was een stuk groter dan mijn basdrum. En met plastic flessen had ik nieuwe toms gemaakt. Ik wilde toms die klonken als die van Zappa, zo'n beetje de drumsound van Phil Collins In the Air Tonight. Petflessen benaderden dat vreemd genoeg het best. GYSELINCK: Een vijfjarige met een zeven jaar oudere broer. (lacht) Ik ben de jongste van drie. Ik had drie cassettes als kind. Samson & Gert, Ill Communication van Beastie Boys en Zappa. Dat is hoe ik heb leren drummen: uren en uren met chopsticks op plastic vellen meespelen met de grooves van Frank Zappa en The Meters - mijn eerste cd. Ik kon geen Engels, dus ik luisterde nooit naar Zappa's teksten. Het ging me puur om de klanken en de composities. Er klikte iets. Mijn moeder heeft me ooit verteld dat ze samen met mijn broer aan de deur stond te luisteren, terwijl ik met een koptelefoon hele partijen van Zappa's Roxy & Elsewhere aan het meezingen was. GYSELINCK: Eerder komisch, denk ik. (lacht) Zappa is redelijk onzingbaar. Het rare is: mijn geheugen is normaal een zeef. Ik kan geen namen onthouden. Maar speel mij één keer iets voor en twee maanden later kan ik dat exact herhalen. Ik weet niet hoe het komt, maar het lijkt alsof mijn brein is afgestemd op muziek. GYSELINCK: Kleuren verbinden aan akkoorden? Ik heb dat een beetje. Het zijn meer beelden bij mij. Als ik Cissy Strut van The Meters hoor, zie ik een planken vloer, tien centimeter van de grond, terwijl alles in een gelige, zwoele sfeer baadt. Dat baslijntje in Steve Biko van A Tribe Called Quest: een bruinrode kamer. Bij muziek die ik goed ken, zie ik vormen en kleuren. Maar het werkt het sterkst met herinneringen. Ik kan me met de beste wil mijn lagere school niet herinneren. Maar zet iets van Zappa op en ik zie de speelplaats tot in de kleinste details. GYSELINCK: Toen ik twaalf was. Ik ben meteen in een groepje beginnen te spelen. Mambocito Mio, een zappaëske Nederlandstalige band - we hebben ooit nog De Beloften gewonnen in Gent. Iedereen was minstens 18, ik was twaalf. De freaky jonge drummer in het gezelschap. (lacht) Nu, op dat moment was ik iets minder maniakaal met drums bezig. Toen ik elf was, ben ik beginnen te breakdancen. Met drie vrienden had ik een crew opgericht, Psycho B-Boys. Behoorlijk fanatiek: ik trainde alle dagen aan het Zuid in Gent. GYSELINCK: Sommige van de gasten met wie ik toen breakte, zijn ondertussen wereldtop. Dat niveau haalde ik niet, maar ik had wel een maffe stijl. Dat wordt geapprecieerd in die scene. Mijn specialiteit was op mijn hoofd ronddraaien, maar ik zag er geen toekomst voor mezelf in. Toen ik zeventien was, ben ik weer meer beginnen te drummen en ben ik jazz gaan studeren aan het conservatorium. Battlen op wedstrijden was ook niet mijn ding: ik wilde me gewoon verliezen in de muziek. Sowieso was ik vooral met de playlists bezig. Ik stelde de cassettes samen voor in de gettoblaster. Dicht bij het Zuid was de bibliotheek: daar ging ik platen zoeken, vooral prille New Yorkse eightieshiphop. Afrika Bambaataa en van die dingen. Zo heb ik Mixmonster Menno ook leren kennen. Ik wilde absoluut leren scratchen. Op zaterdag zetten mijn ouders me bij hem thuis af en gaf hij me les. Dat is hoe ik dieper in de muziek ben gedoken: door de samples van de hiphop te ontdekken. GYSELINCK: Ik denk het wel. Ik zag laatst een studie van de University of Londen die stelde dat hiphop het meest invloedrijke genre van de laatste vijftig jaar is - invloedrijker dan The Beatles, The Rolling Stones en de hele britrock uit de sixties. Sowieso arbitrair, dat soort studies, maar er zit wel iets in. Voor mij is hiphop de reïncarnatie van de echte geest van de jazz. Muziekhistorisch en muziektechnisch zit er zo veel in, zeker in de hiphop van de jaren negentig. Die verknipte beats die J Dilla op zijn MPC-sampler maakte: als je dat analyseert, dat zijn ritmisch exotische septolen en kwintolen. Die geloopte beats van A Tribe Called Quest: stuk voor stuk samples uit oude jazz- en soulplaten. Ik ken geen enkel ander genre in de hedendaagse muziek dat zo gelaagd is. TIEN SECONDEN VOOR STAGE TIME. De instrumenten staan al op het podium. In de verte klinkt het laatste applaus voor alt-J. 'Bon, zullen we dan maar?' vraagt Gyselinck aan de rest van de band. Hij trekt de kap van zijn hoodie over zijn hoofd en stapt als tweede van de vijf door de zwarte doeken. Als een bokser die in de ring stapt, ware het niet dat de realiteit iets minder romantisch is. Als de gordijnen even openvallen, zie ik zeventien man in de tent. Zes van hen zijn persoonlijke vrienden van de band. De band gaat zoals altijd dicht bij elkaar staan, permanent het risico lopend om over elkaars pedalen te struikelen. Het is donker op het podium, terwijl Gyselinck met kettingen in de ene hand de intro van Event Horizon, hun openingsnummer, verzorgt en met zijn andere hand zijn drumstokken pakt. En dan wordt het alsnog filmisch. Als de podiumlichten aanflitsen, staat de zaal plots halfvol. Langs de zijkanten van de tent blijven mensen toestromen. Het wordt het grootste publiek waarvoor ze al gespeeld hebben. Het is hoe ze het al sinds hun eerste optreden doen. Stuff had een nichegroep moeten zijn: vijf geeky muzikanten met een voorliefde voor electronica, hiphop en jazz, die zonder makkelijk te pitchen profiel de muziek spelen die ze willen spelen. Dat zijn ze niet geworden en dat heeft alles te maken met wat er op minder dan drie meter van me gebeurt. Stuff slaagt erin iets te doen wat de essentie van livemuziek is: je het gevoel geven dat het op het podium gebeurt. Iets doen dat evenzeer voor het publiek als voor de muzikanten een verrassing is. Wat op papier moeilijke muziek lijkt, blijkt live een stroom energie. Het heeft nog het meest van de verbluffende eindscène van het Oscargenomineerde Whiplash, mocht u die film gezien hebben: het momentum regeert. Vanaf drie meter wordt ook duidelijk dat Gyselinck meer heeft dan star quality. Hij zit voorovergebogen, het hoofd voor de schouders, en duikt naar elke slag. Hij mept niet: hij drumt met precisie. 'Kung fu style', noemt hij het zelf. Er is iets van. Het oogt vooral heel erg makkelijk: alsof hij geen moeite moet doen om de meest verknipte ritmes te spelen. Het groovet wat hij uit dat rare drumstel haalt. Voor het nummer voorbij is staat er 4000 man in de zaal. En vooral: ze blijven staan. Als het licht al aan is en het podium wordt afgebroken, blijft het publiek joelen en applaudisseren. Bissen mag niet meer van de organisatie, dus houden ze het bij een beleefde buiging voor het publiek bij wijze van encore. 'Wow', is het enige wat Gyselinck zegt wanneer hij weer in de backstage stapt. 'Wow.' TWEE UUR NA STAGE TIME. IN HET ARTIESTENDORP is een kleine afterparty aan de gang. Er zijn blikjes Jupiler, er zijn boxen, er zijn dansende vrouwen - de crew van Cairo Liberation Front, vermoed ik. De euforie van het optreden is er nog, maar je ziet dat Gyselinck moe is. Hij is vijf dagen terug van een week New York met LabTrio. Twee dagen geleden is hij met Stuff op en af naar Ierland gevlogen. Een nacht niet geslapen. Binnen drie dagen moet hij naar Milaan, daarna gaat de festivalzomer verder langs Couleur Café, Les Ardentes, Gent Jazz en Pukkelpop, met tussendoor nog een rist concerten in België en het Verenigd Koninkrijk. Drummer zijn van een van de coolste livegroepen van het moment: het is niet goed voor de nachtrust. GYSELINCK: Ik ben nooit voorbestemd geweest voor dit leven. Tot mijn twaalfde dachten mijn ouders dat ik autistisch was. De focus die ik had, was niet normaal. Ik wilde nooit op reis gaan. De gedachte in een ander bed te moeten slapen, was ondraaglijk. Ik was heel angstig ook. Nu heb ik het omgekeerde leven van wat ik toen had. Ik weet het dus zelf ook niet. Ik begin drummen meer en meer te zien als een soort drug die me voortstuwt. Een natuurlijke drug die ik elke avond nodig heb. Dat momentum dat je op het podium zoekt. Dat goochelspel met energie. Tuurlijk, ik heb mijn familie en ik heb mijn lief, maar die zie ik zo vaak niet. De enige wortel die er altijd is, als je dat zo kunt noemen, is dat momentum op het podium. GYSELINCK: Daar gaan we weer. (lacht)GYSELINCK: We hebben binnen Stuff heel veel gediscussieerd over die film. Dries, onze bassist, was echt kwaad dat muziek zo werd voorgesteld. Hij heeft de film zelfs niet uitgekeken. Ik weet niet of ik hem goed vond, maar ik heb hem wel intens beleefd. Toen de lichten weer aan gingen, was ik aan het wenen. Het was allemaal iets te herkenbaar. GYSELINCK: Op een bepaald moment maakt het hoofdpersonage het uit met zijn vriendin. 'Je gaat een hindernis zijn voor wat ik wil bereiken', zegt hij. Toen zag ik mezelf gewoon. Je wilt dat niet herkennen, maar je herkent het wel. Toen ik aan het conservatorium begon, ben ik echt maniakaal beginnen te drummen. Op mijn hoogtepunt zat ik zes uur per dag achter mijn kit. Soms acht uur. GYSELINCK: Dat nu ook weer niet. (lacht) Dat zou ook niet gaan. Om je handen te laten bloeden, moet je echt héél slecht spelen. Ik begin nu te beseffen dat ik toen mijn jeugd heb overgeslagen. Meisjes of uitgaan: dat interesseerde me niet. Ik wilde enkel en alleen drummen. Zuiver technisch ben ik nooit de meest begenadigde drummer geweest. Door er zo vroeg mee te beginnen, ben ik eigenlijk wat misvormd. Zo drum ik niet met de armen gekruist, zoals je aangeleerd wordt, maar open - daarom dat mijn drum zo raar opgesteld staat. De docenten zeiden dat ik wel karakter had op mijn drum, maar om de dingen te kunnen die ik daar leerde, moest ik heel hard oefenen. En ik wilde niets liever dan dat allemaal kunnen. GYSELINCK: Wat bedoel je dan? GYSELINCK: Ik weet het niet. Je hebt gelijk dat er meer nodig is dan 20.000 uur oefenen om een virtuoze drummer te worden, maar ik denk dat je dat wel nodig hebt, die obsessie. En die kan heel hard zijn. Dat is het andere ding aan de film dat zo herkenbaar was: de wrange kant. Het wordt overdreven in de film, maar het is zo. Je zoekt de grenzen op van wat nog goed is voor je. Ik ken een bassist die om die reden drie jaar aan de antidepressiva heeft gezeten. Zeker in de VS is Whiplash behoorlijk accuraat. Na het conservatorium in Brussel ben ik een jaar in New York gaan studeren. Ik had een beurs gekregen voor de New School of Jazz and Contemporary Music, een heel technische, academische opleiding. Het niveau was ongelooflijk hoog: de drummers die ik daar zag, dat was van een ander niveau. Ik voelde me er geen goede drummer; ik was er ook eenzaam. Maar vooral de lessen waren ongelooflijk hard. Ik heb zeventienjarige supertalenten in een vol klaslokaal uitgescholden zien worden omdat ze niet konden aftellen. 'One, two, three, fo...''Stop! Can you count or not?' Dat is de realiteit ginder: ze hebben in de VS geen drummer nodig die niet kan aftellen. Ik weet niet of het fout is om dat randje op te zoeken. Die obsessie. Maar die drive moet wel uit jezelf komen. Niet door peer pressure of een militaristische leerkracht, maar omdat je het zelf wil. Wayne Shorter zegt dat ook in zijn biografie: nog altijd staat hij elke morgen om zes uur op om saxofoon te oefenen. Die man is de tachtig voorbij, heeft de mooiste jazzstukken gespeeld en geschreven en de mooiste solo's geblazen. Hij hoeft voor niemand meer iets te bewijzen: hij doet het voor zichzelf. GYSELINCK: Moeilijk te zeggen. Er zijn er wel een paar geweest. Kris Defoort die me een vrije manier van spelen leerde. Het spel met improvisatie. Ik herinner me ook dat een workshop van Jim Black, een van mijn grootste helden, een eye opener was: hoe hij met kapotte cimbalen en volgetapete vellen een unieke klank wist te creëren, dat heeft me wel aan het denken gezet. Maar een van de belangrijkste momenten waren de lessen van Stéphane Galland aan het conservatorium van Brussel. Ik was supergefrustreerd en superongeduldig omdat het niet snel genoeg vooruitging. Zelfs met acht uur oefenen per dag bereikte ik niet wat ik wilde bereiken. 'Lander, speel anders eens een week niet', zei hij. Dat is wel aangekomen bij mij. Het is dankzij hem dat ik meer ben gaan zoeken naar wat mijn eigenheid is als drummer, in plaats van louter te focussen op techniek. Onder zijn mentorschap ben ik ook begonnen met de dingen te transcriberen die ik zelf goed vond. Hudson Mohawke in zijn vroege dagen. Georgia Anne Muldrow. Al die scheve beats die ik op YouTube vond uitschrijven en naspelen. Dat is het moment geweest waarop alles samen kwam: de rare stijl die ik als kind had aangeleerd, de hiphopreferenties, de jazzopleiding. Zelfs de beleving van het breakdancen zit daar in. Je hebt ergens wel gelijk: mijn identiteit op drums komt niet alleen van het oefenen, maar van al die dingen samen. Uiteindelijk is dat ook hoe Stuff begonnen is. Ik wilde een groep waarbij we de klanken en de rijkdom van al die referenties en beats konden omzetten in een band die genoeg vrijheid liet voor de muzikanten. Een groep waarin al de dingen waar ik van houd samenkomen. GYSELINCK: Ik weet het niet zo goed. Blijven evolueren, denk ik. Nieuwe klanken zoeken, nieuwe muziek maken, nieuwe muziek luisteren. En dat blijven doen voor mezelf. Dat is ook het verbazende aan Stuff: we zijn compromisloos in wat we maken, maar het publiek is wel mee. Qua verder plan lijkt dat me niet slecht. Een van mijn grote helden was Hudson Mohawke. Op zijn zestiende maakte die de meest geflipte beats op zijn PlayStation. Puur voor zichzelf. In ziijn eigen wereld. Tegenwoordig doet hij producties voor Kanye West en heeft hij zijn creativiteit ingeruild voor zijn paycheck. Daar ben ik wél zeker van: zo wil ik nooit worden. DRIE UUR NA STAGE TIME. DOOR DE BOXEN weerklinkt iets van A Tribe Called Quest. Gyselinck staat recht van zijn stoel. 'Ik weet wel wat mijn plan is.' 'Wat?' 'Dansen.' 'Hoeveel energie heb jij eigenlijk?' 'Heel erg veel, vrees ik.' DOOR GEERT ZAGERS - FOTO'S ATHOS BUREZLander Gyselinck: 'IK KAN ME MIJN LAGERE SCHOOL NIET HERINNEREN. MAAR ZET IETS VAN FRANK ZAPPA OP EN IK ZIE DE KLEINSTE DETAILS VAN DE SPEELPLAATS VOOR ME.' ALS STUFF OPKOMT OP BEST KEPT SECRET STAAT ER ZEVENTIEN MAN IN DE TENT. EVEN LATER ZIJN HET ER 4000. EN VOORAL: ZE BLIJVEN STAAN. 'WOW', IS ALLES WAT LANDER GYSELINCK NA AFLOOP KAN UITBRENGEN. 'WOW.' Lander Gyselinck: 'DAT OBSESSIEVE, DE GRENZEN OPZOEKEN VAN WAT NOG GOED VOOR JE IS, DAT HEB JE WEL NODIG. IK KEN EEN BASSIST DIE ZO DRIE JAAR AAN DE ANTIDEPRESSIVA HEEFT GEZETEN.'