Eerste zin Ik steek het mes in de grond en veeg mijn handen af aan mijn trui.
...

Eerste zin Ik steek het mes in de grond en veeg mijn handen af aan mijn trui. Dochter woont samen met haar vader in een verwaarloosd huisje. Het meisje is licht gestoord, wordt op school gepest en vindt rust en troost bij haar cavia's, die ze heel graag kleintjes zou zien krijgen. Daarom legt ze hen iedere dag op elkaar en steekt ze met een oorstokje kruiden en grassnippers in hun 'vanvoren'. Tot ze sterven. Dat ze dat zo moet doen, weet ze van haar oudere buurjongen Jonas, die haar graag zonder slipje ziet dansen. 'Ga eens tot een bolletje opgekruld liggen,' zei hij, 'net als een cavia.' Waarna hij zijn stokje in haar stak en zij met bloed in haar slipje naar huis trok. Die avond propte ze kruiden en grassnippers in haar vanvoren. In Dochter geeft Lenny Peeters een beeld van een totaal gedegenereerde wereld waarin seksueel misbruik de overhand heeft. Er wordt incest geïnsinueerd, de huisarts heeft graag dat het meisje over zijn knie wrijft, zeker nu ze 'bulten' begint te krijgen en Jonas gaat steeds verder in de exploitatie van zijn buurmeisje. Naarmate de roman vordert, duiken er steeds meer gevangenisscènes op. Het mes dat dochter in de eerste zin van het boek in de grond steekt, heeft bloed gezien, begin je als lezer te beseffen, en het was vast geen caviabloed. Peeters vertelt haar verhaal vanuit het standpunt van het gestoorde, nimmer oordelende meisje. Dochter lijkt niets shockerend of erover te vinden. Het overkomt haar gewoon. Het onthutsende effect daarvan wordt nog versterkt door de bijzonder efficiënte, spaarzame stijl van het boek: korte hoofdstukken met korte zinnen die je een haarscherp beeld geven van een bizar bestaan. Beter één detail dat je omverblaast dan een karrenvracht langdradige beschrijvingen die je uiteindelijk alleen maar in slaap sussen, lijkt Peeters' devies. Het resultaat is een roman die tezelfdertijd sprookjesachtig en ranzig rauw is. Een voorbeeld. Om de lokale rattenplaag het hoofd te bieden, vangt vader de dieren, waarna hij hun 'vanachteren' dichtbrandt met een gloeiende kachelpook. 'Het vlees sist', schrijft Peeters. 'De rat krijst. Nadien heeft ze dorst. Ik vul een kopje tot aan de rand met water en zet het bij de val. We kijken hoe ze drinkt. Meer hoeven we niet te doen. Het geschreeuw van de dichtgebrande rat die niet kan plassen, jaagt alle andere ratten weg.'