Het kan aan ons liggen, maar het eerste waar we aan denken als we de woorden 'voetbal' en 'fictie' in één zin horen, is Escape to Victory, de film uit 1981 waarin een voetbalploeg geallieerden (met Pelé, Paul Van Himst en Sylvester Stallone) het opneemt tegen een team nazi's. En dan in het bijzonder aan de laatste scène. Stallone vond het als ster van de film namelijk vanzelfsprekend dat hij de winnende goal zou scoren. Enig probleem: hij was de keeper. Pas nadat de productieploeg hem had uitgelegd dat het eerder zeldzaam is dat een doelman het winnende doelpunt scoort, stemde Stallone in met een compromis: hij mocht in de laatste minuut van de beslissende match een penalty pakken. Spijtig genoeg waren ze hem vergeten te zeggen dat een keeper die een penalty klemt ongeveer even zeldzaam is als een doelman die een winning goal scoort. Om maar te zeggen: voetbal en fictie, het is niet altijd een even geloofwaardige combinatie.
...

Het kan aan ons liggen, maar het eerste waar we aan denken als we de woorden 'voetbal' en 'fictie' in één zin horen, is Escape to Victory, de film uit 1981 waarin een voetbalploeg geallieerden (met Pelé, Paul Van Himst en Sylvester Stallone) het opneemt tegen een team nazi's. En dan in het bijzonder aan de laatste scène. Stallone vond het als ster van de film namelijk vanzelfsprekend dat hij de winnende goal zou scoren. Enig probleem: hij was de keeper. Pas nadat de productieploeg hem had uitgelegd dat het eerder zeldzaam is dat een doelman het winnende doelpunt scoort, stemde Stallone in met een compromis: hij mocht in de laatste minuut van de beslissende match een penalty pakken. Spijtig genoeg waren ze hem vergeten te zeggen dat een keeper die een penalty klemt ongeveer even zeldzaam is als een doelman die een winning goal scoort. Om maar te zeggen: voetbal en fictie, het is niet altijd een even geloofwaardige combinatie. Normaal zou op die laatste zin een gratuite sneer naar Team Spirit 2 volgen. We dachten: we gaan dat eens niet doen. Het belangrijkste eerst dus: ze zien er lang niet slecht uit, de voetbalscènes in Spitsbroers. Een nieuwe VTM-reeks over de twee broers Moerman, van wie er eentje bij Racing Genk doorbreekt en de andere aan de zijlijn mag toekijken hoe zijn broer zijn droom verwezenlijkt. Dat je de voetbalscènes gelooft, heeft veel met één man te maken: Kristof Hoefkens (31), journalist bij De Standaard en de vier jaar jongere broer van profvoetballer Carl Hoefkens. Hij was het die Spitsbroers pitchte bij productiehuis deMensen, het verhaal en de personages bedacht en meeschreef aan de scenario's. En vooral: hij was het die er - samen met regisseurs Gijs Polspoel en Jeroen Dumoulein - voor moest zorgen dat het voetbal in Spitsbroers er geloofwaardig uit zou zien. Elk nadeel heb zijn voordeel, zo blijkt, ook eeuwig 'broer van' zijn. KRISTOF HOEFKENS: Het is iets waar ik al jaren mee rondloop. Ik heb zelf altijd gevoetbald en heb de carrière van mijn broer van dichtbij gevolgd. Ik ken die wereld dus wel, en vooral: ik weet hoeveel drama erin zit. Alleen werd dat idee nooit concreet. Vijf jaar geleden heb ik voor de krant een jaar als correspondent in Amerika gewerkt. Toen ik terugkwam, dacht ik: ik ga het eens pitchen bij een productiehuis en zien wat ervan komt. Ik ben binnengewandeld bij deMensen, die op zoek waren naar een eerste fictiereeks en heb het idee gepresenteerd: iedereen was meteen enthousiast. HOEFKENS: En laat dat nu net geen referentie zijn. (lacht) En cours de route ben ik aardig wat mensen tegengekomen die ooit iets met profvoetbal en fictie hebben willen doen, maar er uiteindelijk af zijn gebleven. Ik denk dat daar twee redenen voor zijn. Je moet de voetbalwereld goed kennen - geen evidentie voor een buitenstaander - en je moet je voetbalscènes realistisch in beeld kunnen brengen. Vooral dat tweede is nogal ambitieus: ik heb het zelf alleszins nog nooit geloofwaardig op tv gezien. HOEFKENS: Precies. Gelukkig hadden wij Sven Dhoest, de derde keeper van Club Brugge, als doelman in de reeks: die weet wel hoe je naast een bal moet duiken. Allez, als hij moet, hé. Dat was geen subtiele steek. (lacht) Nu, dat is het ding net. Als je reeks over amateurvoetbal gaat, kom je weg met een flaterende keeper. Bij een reeks over profvoetbal niet. Eigenlijk is de voetbalwereld niet meer dan een arena in de reeks, zoals Borgen zich in de wereld van de politiek afspeelt. Maar als Birgitte Nyborg in Borgen de scheiding der machten schendt, stoort dat een handvol politici. Als in Spitsbroers de centrale verdediger zoneverdediging speelt terwijl de rest van zijn team de man dekt, wordt in elke huiskamer gegrommeld. Ga in één cruciale voetbalscène de boot in en alles vervalt. Wanneer Moerman, het hoofdpersonage, voor de eerste keer in eerste klasse scoort, mag je als kijker op geen enkel moment denken: 'Die schijnbeweging trok op niks.' Voor alle duidelijkheid: dat is niet waar Spitsbroers over gaat. Het is geen reeks voor voetbalfans. Wie gesprekken wil zien over de voordelen van een driehoek op het middenveld met de punt naar voren, moet naar Extra Time kijken. Maar de arena moet wel kloppen vóór je de personages kunt geloven. Het is niet makkelijk geweest - we hebben tien nachten op rij in het stadion van Racing Genk opgenomen, wat echt wel een huzarenstukje was voor de regisseurs - maar ik denk wel dat het uiteindelijk gelukt is. HOEFKENS: Niet echt. (lacht) Maar ik ben blij dat je het vraagt: dat wil zeggen dat je het niet kunt zien. Voor de opnames ben ik met hen gaan trainen, hier in de sporthal van Park Spoor Noord. Twee keer per week, maanden aan een stuk. Er was wel wat werk aan, maar ze hebben het rap opgepikt. Wel grappig: ik denk dat we evenveel op techniek als op attitude hebben geoefend. Hoe goed iemand kan voetballen, kun je zien aan hoe hij loopt. Ik meen dat: als hier een gast met een voetbalzak op zijn rug voorbij zou lopen, zou ik aan zijn loop zien hoe goed hij kan sjotten. Dat was uiteindelijk het moeilijkste: de attitude. HOEFKENS: Als je benen in close-up ziet, kunnen dat wel eens de mijne zijn. Het is niet vaak nodig geweest, maar als het te technisch was, moest ik invallen. De stuntman, zeg maar. Met enige trots mag ik dan ook zeggen dat mijn signature move, een draai met de bal rond het standbeen, in de generiek zit. (lacht)HOEFKENS: Alleen zaalvoetbal bij een vriendenploeg. Stampdoria heten we. HOEFKENS: Inderdaad. (lacht) We zijn allemaal gasten die op een hoger niveau gevoetbald hebben, maar door tijdsgebrek een paar klasses lager zijn gaan spelen. Tot mijn zeventiende heb ik de jeugdreeksen van Lierse doorlopen - de generatie net na Stein Huysegems. Destijds was dat ongeveer het hoogste niveau waar je bij de jeugd kon sjotten. De jeugdwerking van Lierse was top: als je er wilde raken als profvoetballer, moest je daar zijn. Maar op mijn zeventiende ben ik bij Lyra in derde klasse gaan spelen en daarna verder afgezakt, zoals zovelen. HOEFKENS: Een combinatie van te weinig talent en te weinig drive. Als je er als profvoetballer wilt raken, moet je ofwel over een ongelooflijk talent beschikken, ofwel een obsessie hebben om er te raken. Het eerste had ik niet, het tweede zat niet in mij. Ik kon mezelf er niet toe brengen om elke ochtend om negen uur trappen te gaan lopen. 'Vier dagen geleden heb ik goed getraind, dat zal wel volstaan', dat was mijn mentaliteit. Dat was het grote verschil met mijn broer: die had geen trainer nodig om zijn grenzen op te zoeken. Ik denk dat je een obsessie nodig hebt om iets vol te houden. En de obsessie die mijn broer voor voetbal heeft, heb ik voor schrijven. De dag dat ik stage liep bij De Standaard, wist ik: hier wil ik blijven. Ze mochten doen wat ze wilden: ik zou blijven. Die hele stage was één langgerekte sollicitatie. Ik denk dat dat ook nodig is. Er zijn zoveel factoren die een invloed hebben, maar de enige die je zelf kunt bepalen, is je instelling. Je bent verplicht om passioneel met iets bezig te zijn, en anders moet je het niet doen. HOEFKENS: Dat valt wel mee. De Moermannen zijn niet gebaseerd op Carl en ik. Hun familie is niet gebaseerd op mijn familie. En zoals gezegd: ik heb nooit de droom gekoesterd profvoetballer te worden. Zo autobiografisch is het dus niet. Het is vooral de wereld op zich die ik zelf goed ken. HOEFKENS: Niet zoals het in de reeks zit, maar roem is wel iets wat ik altijd fascinerend heb gevonden. Toen ik een jaar of veertien was, begon mijn broer bij Lierse in eerste klasse te spelen. Aan de keukentafel was hij nog altijd dezelfde jongen, maar daarbuiten was alles anders. Wij woonden in een achterstraatje in Emblem, een dorp naast Lier waar nooit iemand passeerde. Ineens kwam elk kind uit de regio Nieuwjaarke zoete bij ons zingen. Je wilt niet weten hoeveel volk er plots passeerde. Dat intrigeert me er zo aan. Ik heb nooit gesnapt waar dat vandaan komt. Wat maakt dat één iemand die zijn job doet als een halve god gepercipieerd wordt en een andere die zijn job doet niet. Pas op: ik ben daar nooit jaloers op geweest. Zoals je zegt, de keerzijde heb ik ook vaak genoeg gezien. Mijn broer gaat er goed mee om, maar als voetbal een obsessie is zoals voor hem, is dat wel iets dat je erbij moet nemen. Roem gaat met je aan de haal. Je hebt geen controle meer over wat mensen van je denken: mensen doen dat zelf wel. Op een bepaald moment werd mijn broer gepercipieerd als een soort Vlaamse David Beckham. Wel, ik ken niemand die minder glamoureus is dan Carl. Hij geeft niks om wat hij aantrekt. Hij gruwt van iets als de Nacht van Exclusief. En toch denkt iedereen dat hij al zijn vrije avonden in de Carré doorbrengt. Geld is ook zoiets. Ik was eens met Guy Swinnen op stap voor de krant, toen we een jonge muzikant tegenkwamen met krijsende grietjes rond zich en iets te veel zelfvertrouwen. 'Heb jij dat ook ooit gehad?' vroeg ik hem. Hij zei: 'Elke jonge gast die even beroemd is, heeft een moment waarop hij in zijn eigen mythe begint te geloven.' Laat je naam door 20.000 man scanderen in een stadion of op een concertweide en dat gebeurt. Maar gooi dan ook nog eens geldbedragen in zijn richting waar hij zijn kop niet rond krijgt en je krijgt de excessen van het voetbal. We hebben allemaal stomme dingen gedaan in onze jeugd, maar als wij ruzie kregen op café, hadden we niet het geld om dat hele café gewoon op te kopen. Dat is wat veel mensen ook lijken te vergeten: het blijven jonge gasten. Vincent Kompany is 28. In elke bedrijfstak over heel de wereld ben je dan een snotjong. Maar als je voetballer bent, verwachten ze op die leeftijd wel dat je je ploeg draagt, goed communiceert in de media, een voorbeeldfunctie hebt en je geld verstandig beheert. Dat gaat alleen als je een heel goede familie achter je hebt staan. HOEFKENS: Precies. Misschien is dat wel waar de reeks het meest over gaat: net zoals Alice het konijnengat induikt, duikt de familie Moerman een wereld in die ze op voorhand niet kon inschatten. En die niet blijkt te zijn wat ze ervan verwachtten. Dat is altijd zo met dromen: ze zijn nooit wat je ervan verwacht. HOEFKENS: Snelle auto's en babes uit P-magazine: dat is de wereld waarin die gasten leven. Je kunt geen reeks over voetbal maken en je personages dan in een Fiat Panda laten rondrijden. Dan heb je Porsches, BMW's en Ferrari's nodig. HOEFKENS: Ik hou wel van dingen die bigger than life zijn, ja. Als je Louis Talpe als een moderne gladiator naar de middenstip ziet wandelen in een vol stadion en je voelt als kijker hoe dat moet zijn: dat vind ik kicken. Een stampvolle Versuz waar alle koppen draaien zodra Moerman binnenstapt: ik zie dat graag. Ik wilde een grave reeks maken. Ik heb ook onmiddellijk beslist dat ik de reeks voor VTM wilde maken: het moest commercieel zijn, maar wel met hart en ziel. In Vlaanderen is dat iets wat nog maar weinig gedaan is. We hebben hier vooral de traditie van de heimatreeksen. Fictie over de Vlaamse klei. We zijn daar top in, maar ik wilde ook iets maken dat grote emoties probeert over te brengen. Een groots, meeslepend verhaal. Misschien is dat mijn smaak, ja. Ik hou meer van grote blockbusters dan van kleine arthouse. HOEFKENS:(lacht) Johnny's houden van Transformers. Dat is nog iets anders. Transformers 4: neen. Guardians of the Galaxy: ja. Dat vat mijn smaak zo ongeveer samen. Dat is het ding: het gaat niet alleen maar om die grand gestures, je moet eerst en vooral personages hebben van vlees en bloed. Maar zodra je die hebt, mag het van mij iets grootser en meeslepender, ja. Er mag lef in zitten. Ambitie. Het grootste voorbeeld voor de reeks blijft voor mij Friday Night Lights. Een fantastische reeks over het American football-team van een Texaanse highschool. Heel groots in zijn opzet, heel schoon in zijn personages. En ook: je moet geen fluit van American football snappen om mee te zijn. Er zit een universeel stukje poëzie in. De halogeenlampen in het lege stadion die nog even knisperen wanneer ze een uur na de match worden uitgezet: dat gevoel. Dat is ook wat Spitsbroers moest hebben. In de reeks gaan de Moermannen op alle belangrijke momenten naar hun pleintje. Je vroeg daarstraks wat er autobiografisch was: wel, die scène heb ik uit mijn eigen leven geplukt. Elke avond als het weer het toeliet, voetbalden mijn broer en ik in de tuin. Eén tegen één, uren aan een stuk. De perenboom was de ene goal, de kersenboom de andere. Dat zijn we ook altijd blijven doen. Zelfs toen hij in de Champions League speelde, gingen wij de dag ervoor nog altijd in onze hof in Emblem tegen elkaar sjotten. De bloemperken mogen tribunes met 20.000 mensen geworden zijn en de bomen goals, uiteindelijk is het dat altijd gebleven voor mijn broer en ik: gewoon voetballen. SPITSBROERS Vanaf 30/3 op VTM.DOOR GEERT ZAGERSKristof Hoefkens: 'IK WAS DE STUNTMAN IN SPITSBROERS, ZEG MAAR. ALS JE IN EEN VOETBALSCÈNE BENEN IN CLOSE-UP ZIET, ZOUDEN DAT WEL EENSDE MIJNE KUNNEN ZIJN.'