Cinema is ontstaan als populair vermaak. De eerste bioscopen waren tenten op de kermis, waarin het gewone volk naar films keek tussen de geur van braadworsten en het getsjoek van de paardenmolen. Om een beetje ernstig genomen te worden had de film nood aan cultureel prestige en om dat te vinden, trokken de regisseurs naar de bibliotheek. Want door bekende, cultureel gerespecteerde boeken te verfilmen, kon het medium op een eenvoudige manier aan sociale promotie doen.
...

Cinema is ontstaan als populair vermaak. De eerste bioscopen waren tenten op de kermis, waarin het gewone volk naar films keek tussen de geur van braadworsten en het getsjoek van de paardenmolen. Om een beetje ernstig genomen te worden had de film nood aan cultureel prestige en om dat te vinden, trokken de regisseurs naar de bibliotheek. Want door bekende, cultureel gerespecteerde boeken te verfilmen, kon het medium op een eenvoudige manier aan sociale promotie doen. Dat was al zo in 1934 toen Edith Kiel en Jan Vanderheyden hun populaire verfilming van de Witte van Ernest Claes maakten, die vaak als de eerste volwaardige Vlaamse film wordt beschouwd. Het speelde ook mee bij de eerste Vlaamse blockbuster, Mira uit 1971 dat 650.000 mensen naar de bioscoop trok. Het scenario van Mira (naar De teleurgang van de Waterhoek van Streuvels) werd trouwens geschreven door niemand minder dan Hugo Claus: een 'moderne' schrijver verleende dus nog extra prestige aan de verfilming van een 'oude' meester. Met dat soort ingrepen is producent Jan Van Raemdonck bekend geworden. Als geen ander wist Van Raemdonck - vaak samen met Roland Verhavert - de Vlaamse literaire canon te benutten voor bioscoopexploitatie. Nadat hij een reeks documentaires had gemaakt over de beeldende kunsten legde Van Raemdonck zich vanaf de jaren 70 toe op het literaire patrimonium. En wat bleek: voor verfilmingen van de populaire namen uit de Vlaamse canon (Claes, Streuvels, Timmermans, enzovoort) daagde het publiek in groten getale op. Zoals Claus observeerde: eerst lazen de kinderen het boek in de les, dan gingen ze met de klas naar de film en vervolgens namen ze hun ouders mee. Naast de culturele laag vernis, zorgde Van Raemdonck ook altijd voor een smeuïg actueel sausje dat aansloot bij de geest van de tijd: kijk maar hoe Mira of Pallieter (1976) de flowerpowersfeer van die jaren vertaalt. Vaak sloten de films aan bij officiële evenementen: Mira werd uitgebracht ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van Streuvels, De loteling viel samen met het Consciencejaar en de tv-serie Rubens kwam in het Rubensjaar op het scherm. Met die wat stijve patrimoniale context in het achterhoofd is het niet verrassend dat literatuurverfilmingen op een bepaald moment de inzet werden van een heuse controverse. Een jongere generatie wilde komaf maken met die nauwe band met de heilige literatuur. In die context pasten ook de eerste scenariocursussen aan het eind van de jaren 70. Amerikaanse docenten als Lois Peyser, Bill Fadiman en John W. Bloch, later ook Syd Field en Frank Daniel staken de oceaan over om Vlamingen te leren echte films te maken. Dat lukte bij momenten en met wisselend succes. Omdat de meeste cineasten in Vlaanderen niet zelf hun films bij elkaar pennen, blijven ze echter aangewezen op anderen. Op scenaristen natuurlijk, maar misschien liever nog op echte schrijvers, als hun boeken tenminste al bewezen hebben dat ze tot de verbeelding van een publiek spreken. Want een boek dat succes heeft, bezorgt de film gratis reclame. Dat inzicht, dat Van Raemdonck veertig jaar geleden al had, is vandaag weer helemaal terug. Alleen zijn het niet meer de boeken van het Vlaamse patrimonium - die nauwelijks nog gelezen worden - maar die van de toptienlijstjes die naar de bioscoop mogen komen. Door Erik Martens