Amper zesentwintig was Hugo Claus toen hij De Oostakkerse gedichten (1955) publiceerde. De bundel werd meteen onthaald als een meesterwerk en de bezwerende verzen hebben nog niets aan kracht ing...

Amper zesentwintig was Hugo Claus toen hij De Oostakkerse gedichten (1955) publiceerde. De bundel werd meteen onthaald als een meesterwerk en de bezwerende verzen hebben nog niets aan kracht ingeboet. Claus' taal werkt als een afrodisiacum dat zowel brein als onderbuik doet zinderen. Regels zo heet dat elke krolse minnaar er zijn voordeel mee kan doen. Neem de proef op de som, fluister tussen de lakens onderstaande verzen in een gewillig oor en kronkelend vlees zal uw deel zijn: 'Zij nadert in vouwen en in schicht, / In hitte, in hars, in klatering, / Terwijl in staat van begeerte, / Gestrekt als een geweer en onherroepelijk / In staat van aanval en van moord ik / Omvat, doorploeg en vel, / Gebogen, geknield, het geurend dier / Tussen de lederzachte knieën.'