Eerste zinnen Een man in zijn vijftiger jaren die plots helemaal alleen op de wereld is? Dit moet wel de aanhef van een roman zijn.
...

Eerste zinnen Een man in zijn vijftiger jaren die plots helemaal alleen op de wereld is? Dit moet wel de aanhef van een roman zijn. Dat is het natuurlijk ook, en zoals die openingszinnen laten vermoeden is het geen roman waarvan er dertien in een dozijn gaan. Nee, Goudeseune schreef een boek vol doorkijkjes en knipogen naar de Vlaamse en de wereldliteratuur, waarbij bijvoorbeeld Camus' De mythe van Sisyphus gekoppeld wordt aan Becketts beroemde uitspraak dat we als schrijver - en bij uitbreiding als mens - keer na keer falen, maar dat we dat ook steeds beter doen. Niet zo in Goudeseunes roman waarin niemand ooit iets lijkt bij te leren. Centraal staan de vijftigers Fabrice Mundo en Charlotte Chateaubriand die elkaar via een datingsite op het spoor gekomen zijn en afgesproken hebben aan de Pisser op de dijk van Oostende. Alleen blijkt net die dag de hele mensheid van de aarde verdwenen te zijn, uitgezonderd zij. Het leidt tot een aantal hilarische scènes, waarin Fabrice bijvoorbeeld op het Oosterstaketsel met achttien vislijnen tegelijk hun avondmaal probeert te vangen, en tot een paar interventies van de schrijver waarin deze openlijk de vraag stelt of de lezer dit nog allemaal wel gelooft en overgaat tot een naturalistisch zelfbeklag dat verdacht veel lijkt op dat van het hoofdpersonage uit Knut Hamsuns Honger.