'Brecht, kun je je kin een beetje omhoog doen?'
...

'Brecht, kun je je kin een beetje omhoog doen?' Twee kinnen gaan omhoog. 'Nee, andere Brecht.' Twee kinnen gaan omlaag. 'Misschien is het handiger als je 'Rosse' en 'Bruine' gebruikt.' 'Oké. Bruine! Kin omhoog!' Bijwijlen heeft het iets van slapstick, de covershoot met de twee Brechten na het interview. Bruine Brecht is Brecht Evens, sinds het in Angoulême bekroonde Ergens waar je niet wil zijn en het bejubelde De liefhebbers de vaandeldrager en posterboy van de nieuwe Vlaamse strip. Rosse Brecht is Brecht Vandenbroucke, als illustrator gepubliceerd in onder meer The New York Times, Le Monde Diplomatique en - kwijl, stripkenners! - Nobrow, die volgende maand zijn stripdebuut maakt met White Cube. Dat laatste is een van de drie redenen waarom de twee heren samen zitten. Het is nog vroeg op het jaar, maar White Cube zou wel eens het interessantste stripdebuut van 2013 kunnen zijn: een verzameling woordeloze gags à la Tati over twee kale figuren die verdwalen in de wereld van de kunst. De visuele stijl is verbluffend, maar vooral het lef waarmee Vandenbroucke zich presenteert, is opvallend. Wars van wat de lezer ervan zal vinden, toont hij complexloos zijn hoogstpersoonlijke universum, door Brecht Evens treffend omschreven als 'een wrede wereld in snoepkleuren, een bestiarium van vreemde wezens, iconen en tweederangsiconen uit kinderprogramma's en computerspelletjes'. Tweede reden van hun samenzijn: La Boîte à Gand, de expo die Evens cureerde voor het nakende stripfestival van Angoulême. De franskiljon in u herkent een woordspeling op het Franse handschoenkastje, maar La Boîte à Gand is in de eerste plaats een verwijzing naar Sint-Lucas in Gent. In die school studeerde Evens af in de richting illustratie, maar hij plukte er ook de vier andere namen van de expo: Hannelore Van Dijck, Lotte Van de Walle, Sarah Yu Zeebroek en Brecht Vandenbroucke. De nieuwe Vlaamse stripgarde: La Boîte à Gand voelt als de expo waarin een generatie zich presenteert, niet het minst omdat het vijftal elkaar goed kent. 'Ik had het geluk dat de vier jonge tekenaars die ik in Vlaanderen het beste vind toevallig ook vier vrienden zijn', aldus Evens. Wat naadloos aansluit bij reden drie: de twee Brechten zijn vrienden - 'beste vrienden, mag je zelfs schrijven'. De ene komt uit een Limburgs intellectueel nest van germanisten, omringd door boeken en Lego; de andere groeide op in een boerderij in een West-Vlaams boerengat met Nintendo en GI Joe. Hun parcours kon niet meer verschillen, tot ze in 2004 alle twee in Gent stonden voor hun eerste schooldag in Sint-Lucas. 'Rosse Brecht viel meteen op met zijn rode kleren en pijpenkrullen.' 'Ter verschoning: dat hóórde zo aan Sint-Lucas. En jij moet veel zeggen: de eerste keer dat ik je zag had je een T-shirt aan met je naam op.' 'Dat was van mijn ton.' 'Ton?' 'Dat kennen West-Vlamingen weer niet. Een ton is in Limburg een vat dat je met een aantal vrienden in een afgehuurd scoutslokaal geeft als je achttien wordt.' 'Ik herinner me ons eerste gesprek nog. Ik vroeg of ik in de juiste richting stapte om de toiletten te vinden. Waarop jij antwoordde: ?Anders zou die pijl met 'toiletten' erboven een verraderlijke list zijn. "' 'Humor: het begin van elke goede vriendschap.' BRECHT EVENS: Ik vond het een superboek. Visueel plezier, met een enorme humoristische inventiviteit. Ik hou er ook van dat je White Cube alleen kunt maken in tekeningen: wat hij vertelt, kan enkel in de vorm waarin hij het doet. Als je dat in je debuut kunt, dat is zonder meer straf. Maar misschien moet ik niet te kwistig zijn met complimenten. Ik herinner me plots wat jij van mijn debuut zei. BRECHT VANDENBROUCKE: Wat dan? EVENS: Ik weet nog goed dat je Boodschap uit de ruimte in je handen had en fijntjes zei: 'Als ik debuteer, hoop ik wel dat het met iets écht goed zal zijn.' (lacht) Je had wel gelijk, hoor. Achteraf bekeken was het maar matig werk. Maar ik heb me er van in het begin bij neergelegd dat ik al uitgevend beter zou worden. Tegen mijn vierde strip, Ergens waar je niet wil zijn, zat het goed. EVENS: Er is wel verwantschap, hoor. Ik zie dat we van dezelfde dingen houden - tekenaars als Atak en Blexbolex of een obscuur collectief als Le Dernier Cri. En onze opleiding zorgt ook voor een aantal raakpunten. De zeefdrukken die Rosse soms gebruikt voor zijn illustratiewerk hebben wel iets van de aquarellen die ik teken: beide gaan terug op wat Ever Meulen ons over zeefdrukken heeft bijgebracht aan Sint-Lucas. Hang de juiste tekeningen naast elkaar, en je zult de verwantschap wel zien. EVENS: Deels wel, ja. In de eerste plaats heb ik voor hen vier gekozen omdat ik wil dat meer mensen ontdekken hoe fantastisch ze zijn, maar ik hou ook wel van het volledige plaatje van de expo. Strips worden meestal als iets heel geïsoleerd beschouwd, maar als je mijn werk naast dat van mijn vrienden ziet, zit er wel een logica in. Als je ziet wat zij maken, lijkt het plots veel vanzelfsprekender waarom ik maak wat ik maak. Ik kijk niet zoveel naar andere strips, maar ik weet wel waar zij mee bezig zijn. De referenties en raakpunten spreken voor zich. EVENS: Ik prefereer de term 'shoppen' boven 'pikken'. (lacht)VANDENBROUCKE: Ik vind 'pikken' wel overdreven. Hun visuele stijl is verwant, maar wat ze ermee doen, is heel anders. Lotte puurt er schilderijen uit, Brecht schrijft er een verhaal mee. EVENS: 'Pikken' is op zich ook geen pejoratieve term. Je kunt goed pikken en je kunt slecht pikken. Slecht pikken is iemand anders imiteren. Goed pikken is zien hoe iemand iets doet en dat toepassen. Trouw aan je eigen stijl blijven, dat is: trouw blijven aan de dingen die je gepikt hebt toen je zestien was. Gerda Dendooven heeft in de les ooit gezegd dat ik goed kon imiteren. 'En dat is een talent.' Er valt iets voor te zeggen. Daarbij: ik heb me nooit gegeneerd om te laten zien waar ik de mosterd heb gehaald. In De liefhebbers zitten een flink aantal directe referenties naar mijn invloeden. La joie de vivre van Matisse, de landschappen van Charles Burchfield, middeleeuwse tapijten als De jacht op de eenhoorn: dat wordt allemaal vrij letterlijk geciteerd voor wie het herkent. Om maar te zeggen: het is niet dat ik het wil verstoppen. VANDENBROUCKE: Dat klopt wel. Ik haal dingen uit de wereld rondom mij en pas het in mijn eigen universum. Uiteindelijk kan je alleen maar verder bouwen op wat al bestaat - dat idee zit ook heel hard in de samplecultuur. Grappig dat je over samplecultuur begint: ik heb daar ooit nog een thesis over geschreven. EVENS: Wat was je punt? VANDENBROUCKE: Ik weet het niet meer zo heel goed, maar ik geloof dat het erover ging dat het huidige copyrightsysteem onhoudbaar is. Daar sta ik nog altijd achter, trouwens. Ik hoorde dat Ever Meulen aan een strip bezig was en het Atomium niet mocht tekenen. Hij heeft het uit zijn tekeningen moeten gommen. Ik vind dat ongelooflijk: dat je zelfs hét symbool van België niet mag tekenen omdat er copyright op bestaat. Fase twee van de fotoshoot: Vandenbroucke ligt als een houten pop op bed gedrapeerd, Evens kleurt zijn gezicht bij, als de Gepetto van dienst. De kernwoorden van fotograaf Athos Burez waren 'Pinokkio' en 'Edward Scissorhands', maar tussen de flitsen en klikken van de camera door lijkt het eerder een excuus voor een spelletje artistieke namedropping. 'Het licht heeft wel iets van het clair-obscur van Vermeer, niet?' 'Hans Holbein de Jonge.' 'Egon Schiele is ook niet veraf.' 'Of Candy Darling op haar doodsbed.' 'Cindy Sherman, neen?' Pretentieloze spielerei, maar het zegt wel iets over het referentiekader van de nieuwe Vlaamse stripgarde. Eerder dan Suske & Wiske en Nero zien ze hun tekeningen in het licht van de kunstwereld. EVENS: Daar valt wel iets voor te zeggen. Misschien zijn we wel een generatie zonder minderwaardigheidscomplex tegenover de galeriewereld. VANDENBROUCKE: Op de laatste pagina van White Cube moet het hoofdpersonage in de boekenwinkel kiezen tussen linksaf slaan naar de kunstsectie of rechtsaf naar de comics. Hij loopt uiteindelijk rechtdoor, dwars door de muur. Dat was het enige statement dat ik met het boek wilde maken: strip kan absoluut een kunstvorm zijn. VANDENBROUCKE: 'Generatie' is een te groot woord. Ik voel wel een zekere verwantschap, maar ik zou ons daarom nog geen groep noemen. Daarvoor blijft het een te individueel medium. Collectieven of uitgeverijen waarrond artiesten gegroepeerd zijn, zoals in het buitenland, dat heb je hier niet. In Vlaanderen werk je als tekenaar volstrekt geïsoleerd. En het is moeilijk om een beweging te zijn als je allemaal opgesloten in je eigen atelier leeft. EVENS: Ik zie het nut er ook niet van in om er een term als 'generatie' op te plakken. Het lijkt altijd zo gezocht. 'Hé, die ene kunstenaar maakt foto's, die andere maakt ook foto's: we noemen ze de Pictures Generation.' (lacht)VANDENBROUCKE: Vreselijke naam. EVENS: Absoluut, maar mijn punt is: op zich is het niet interessant wat de ene artiest met de andere bindt. Wat een generatie groepeert, is per definitie verwaarloosbaar. Rosse en ik maken gedetailleerd, narratief, kleurrijk, entertainend tekenwerk. Maar dat zijn de algemeenheden: het is niet waar het om draait. Het waarlijk interessante aan een artiest is het individuele. EVENS: Doen we niet. VANDENBROUCKE: In geen geval. EVENS: Louter hypothetisch? 'Geen schattigheid' lijkt me een goede opener. Ik wil geen saaie, behaagzieke, glimlachende, grote meisjeshoofden op een klein lichaampje meer zien. Aan Sint-Lucas probeer ik dat ook aan de studenten te doceren. Gezichten trekken buitenproportioneel veel aandacht naar zich toe. Je blik wordt onmiddellijk naar de ogen gezogen, waardoor je de rest van de tekening niet meer ziet. Schattigheid devalueert strips. Het is een gebrek aan ambitie met het medium. Ruppert en Mulot hebben strips gemaakt waarin het gezicht vervangen is door een V, het is ongelooflijk wat dat met de perceptie ervan doet. Plots voelen de beelden niet meer als 'stripachtig' aan, maar als tekeningen. EVENS: 'Leve ónze lezer' lijkt me een betere verwoording. Brecht en ik proberen niet het grote publiek te behagen, daar heb je gelijk, maar er is wel een publiek voor wat wij maken waar we ons bewust van zijn. Ik geloof dat wij een ander publiek bereiken dan de traditionele stripliefhebbers. Lezers van FC De Kampioenen zullen niet snel De liefhebbers in huis halen; en omgekeerd zullen mensen die De liefhebbers kopen soms weinig andere strips in hun kast hebben staan. Ik wil strips maken die die mensen aanspreken - en ondertussen maken wat ik wil maken. VANDENBROUCKE: Dat was soms ook de discussie met mijn uitgever, die uit de meer traditionele stripwereld komt. Hoeveel mensen herkennen Marina Abramovic? Hoeveel mensen weten ook nog eens genoeg waar haar werk voor staat om de grap te snappen? Maar uiteindelijk heb ik beslist: ik vind het grappig, dus doe ik het. EVENS: Ik weet ook niet of we de eersten zijn die dat doen. Mijn grote idool blijft Olivier Schrauwen: ook geen tekenaar die hengelt naar de aandacht van het grote publiek. Op een bepaalde manier maakt hij strips voor gevorderden: verhaaltechnisch is het zo straf wat hij doet. Het lijkt experimenteel, maar het is eigenlijk iets voldragen, een man die zijn tijd vooruit is. Laatst zat ik in Antwerpen op café en iemand kwam met een oud nummer van het stripmagazine Spruit aandraven. Undergroundtekeningen van de sixties - Jan Decleir heeft er nog aan meegetekend, zag ik. Psychedelische, maatschappijkritische strips, een beetje zoals wat Robert Crumb maakte. Ik denk dat dat soort underground in België altijd heeft bestaan, ook al denkt iedereen bij de Belgische strip aan Hergé, Marc Sleen en Willy Vandersteen. VANDENBROUCKE: Het internet heeft daar veel veranderd. Vroeger bleef wat ik doe in de zinewereld steken, met zelfgedrukte oplages van enkele honderden exemplaren. Door het web is het belang van publiceren veel minder groot geworden: iedereen kan mijn illustraties op Facebook en Flickr zien. Plus: als een tekening 150.000 keer bekeken wordt op het internet, geeft dat genoeg zelfvertrouwen om verder te doen zoals je bezig bent. Je weet dat de niche waarin je thuishoort bestaat. EVENS: Mijn vader heeft me verteld dat dat in de krant stond, ja. VANDENBROUCKE: Hij heeft het jou nog niet gevraagd? EVENS: Bij mijn weten niet, nee. (lacht) Ik vind het wel grappig: eerst een expo plannen en een heleboel namen noemen, en daarna die mensen pas contacteren. De omgekeerde manier van werken: ik ben benieuwd wat ervan komt. VANDENBROUCKE: Zouden de erven-Hergé al op de hoogte zijn? (lacht)EVENS: Pfoe, geen idee. Jij? VANDENBROUCKE: Niet echt. Ik heb er niet zoveel mee. Ik ben met de Belgische strip opgegroeid, maar vanaf mijn twaalfde ben ik mijn interesse wat verloren. Hergé en Schuiten vind ik nog altijd goed, maar verder ken ik er nauwelijks iets van. Ik zie mezelf eerder als beeldend kunstenaar. EVENS: Dat gevoel heb ik ook. Ik maak toevallig dingen die tot het medium strip behoren, maar mijn referentiekader gaat veel breder. VANDENBROUCKE: Een beeldverhaal. Een betere term kan ik er niet op plakken. Het zijn gags volgens het patroon van een Quick & Flupke, maar er zit ook een metakant aan. Het moet niet altijd grappig zijn: de pointe mag ook iets visueel poëtisch zijn. Maar om het dan een graphic novel te noemen, is een stap te ver. Bij gebrek aan een betere term wordt tegenwoordig alles dat geen traditionele kinderstrip wil zijn een graphic novel genoemd, maar eigenlijk is dat puur een marketingstrategie. Uiteindelijk doet het er ook niet toe hoe je het noemt. Bekijk het en je zult het wel snappen. LA BOÎTE À GAND 31/1 tot 3/2, Angoulême, bdangoulême.com WHITE CUBE Verschijnt in februari bij uitgeverij Bries.Brecht Evens 'TROUW AAN JE EIGEN STIJL BLIJVEN, DAT IS TROUW BLIJVEN AAN DE DINGEN DIE JE GEPIKT HEBT TOEN JE ZESTIEN WAS.' Brecht Vandenbroucke 'HOEVEEL STRIPLEZERS WETEN GENOEG VAN MARINA ABRAMOVIC OM JE GRAP TE SNAPPEN, OPPERDE MIJN UITGEVER. ÍK VIND HET GRAPPIG, DUS DOE IK HET.'