Eerste zin Het was voor Alfred Busi - meneer Al - niet ongewoon om in de ondieptes van de nacht wakker te worden en de kakofonie te horen van dieren die in de metalen vuilnisemmers van hem en de buren naar voedsel zochten, of water dronken uit de open afvoerbuis, water waarmee de bewoners hun tanden hadden g...

Eerste zin Het was voor Alfred Busi - meneer Al - niet ongewoon om in de ondieptes van de nacht wakker te worden en de kakofonie te horen van dieren die in de metalen vuilnisemmers van hem en de buren naar voedsel zochten, of water dronken uit de open afvoerbuis, water waarmee de bewoners hun tanden hadden gepoetst of waarin ze hun was en de vaat hadden gedaan. Ook charmezangers moeten op pensioen maar voor meneer Al finaal de pianoklep dichtslaat, mag hij nog één keer opdraven op zijn eigen feest. Het stadsbestuur wil zijn carrière belonen met een borstbeeld en een erepenning, en in ruil daarvoor willen de notabelen wel een liedje. De nacht voor zijn laatste optreden wordt meneer Al echter aangevallen door een wild dier dat verdacht veel op een mensenjongen lijkt. Schuilt er dan toch waarheid in de stadslegendes over wildemannen die verscholen in het bos leven? De lokale roddelkrant springt op het verhaal en terwijl meneer Al niets liever wil dan in stilte om zijn overleden vrouw rouwen, stormt tumult zijn leven binnen. Wat volgt, is een nogal dik aangezette deurenkomedie vol misverstanden, intriges en wraakoefeningen die niet zou misstaan in een dorpszaaltje maar het is me een raadsel waarom iemand met het talent van Jim Crace zich aan dergelijke oefening waagt. Zijn vorige roman Oogst leverde hem de Impac Dublin Literary Award op, dus zullen we dit lichtvoetig drama maar als een tussendoortje beschouwen in afwachting van beter werk.