[DE KLASSIEKE SCENE] Voor de tweede keer komt hier Julian Barnes aan het woord en dat is geen toeval. Als schrijver beheerst hij de kunst om geen enkel onderwerp uit de weg te gaan, zonder stijl en zin voor proportie te verliezen. Hij is dan ook een getalenteerd muziekliefhebber.

In dit boek, nochtans geen autobiografie, heet de verteller gewoon Julian Barnes. Hij heeft het over de Dood, dus helaas ook over zichzelf en zijn (groot-)ouders - die passages evenaren voor mij zelfs het vaderportret van Theodor Fontane in zijn autobiografie. M...

In dit boek, nochtans geen autobiografie, heet de verteller gewoon Julian Barnes. Hij heeft het over de Dood, dus helaas ook over zichzelf en zijn (groot-)ouders - die passages evenaren voor mij zelfs het vaderportret van Theodor Fontane in zijn autobiografie. Maar zo groot is Barnes' artisticiteit dat hij die opzet transformeert tot een indrukwekkende ode aan de kunst. '[Sjostakovitsj] zei ook: "Angst voor de dood zou wel eens de meest intense van alle emoties kunnen zijn. Soms denk ik dat er geen dieper gevoel bestaat." Deze inzichten sprak hij niet publiekelijk uit. Sjostakovitsj wist dat de dood - tenzij hij kwam in de vorm van heroïsch martelaarschap - geen gepast onderwerp was voor Sovjetkunst, dat was "zowat hetzelfde als in gezelschap met je mouw je neus afvegen". Hij kon niet het Dies Irae herkenbaar doen opklinken in zijn partituren. Hij moest muzikaal omfloerst zijn. Maar meer en meer vond de voorzichtige componist de moed om zijn mouw langs zijn neusvleugels te trekken, vooral in zijn kamermuziek. Zijn laatste werken bevatten lange, trage, meditatieve invocaties van sterfelijkheid. De altviolist van het Beethoven Quartet kreeg van de componist ooit de volgende raad over het eerste deel van het vijftiende kwartet: "Speel het zo dat de vliegen ervan doodvallen."' RUDY TAMBUYSER