[DE KLASSIEKE SCENE]

Voor een keer eens geen roman, maar een muziekessay: ook musici brengen soms goede literatuur voort. De kritieken en andere geschriften over muziek van onder meer Schumann, Debussy en Hindemith zijn bijzonder lezenswaard. Zonder meer briljant zijn de zes gastcolleges die Igor Stravinsky in 1939 gaf aan de Harvard University, en die in 1942 werden uitgegeven. De vertaling die zopas verscheen, na maar liefst zeventig jaar, mag hier niet onvermeld worden gelaten. Stravinsky is waarschijnlijk de grootste componist van de twintigste eeuw, maar ook een van de helderste muziekdenkers van ...

Voor een keer eens geen roman, maar een muziekessay: ook musici brengen soms goede literatuur voort. De kritieken en andere geschriften over muziek van onder meer Schumann, Debussy en Hindemith zijn bijzonder lezenswaard. Zonder meer briljant zijn de zes gastcolleges die Igor Stravinsky in 1939 gaf aan de Harvard University, en die in 1942 werden uitgegeven. De vertaling die zopas verscheen, na maar liefst zeventig jaar, mag hier niet onvermeld worden gelaten. Stravinsky is waarschijnlijk de grootste componist van de twintigste eeuw, maar ook een van de helderste muziekdenkers van zijn tijd. Bovendien stelt het volgende fragment me in staat om nog even door te gaan met de edele kunst van het Wagner-bashen. "Ik weet dat ik nou net datgene verdedig waarop de vroegere elite neerkeek in het werk van deze grote componist. Daar maak ik me kwaad over; en ik houd vol dat er meer substantie en werkelijke inventiviteit zit in bijvoorbeeld de aria 'La donna è mobile', die door deze elite betreurenswaardig oppervlakkig werd bevonden, dan in het retorische gebrul van de Tetralogie. Of men wil of niet, het Wagner-drama verraadt een constante gezwollenheid. De briljante improvisaties blazen de symfonie mateloos op en geven die minder substantie dan de bescheiden en aristocratische vindingrijkheid die van elke bladzijde Verdi afspat. (...) Terwijl men Verdi prijsgaf aan het draaiorgelrepertoire, schiep men er genoegen in Wagner te bestempelen als revolutionair. Niets is veelzeggender: men liet de orde over aan de muze van de straathoek, terwijl men ondertussen het verhevene verheerlijkte in de cultus van de wanorde. " Olala, wat krijgt Wagner er hier van langs. Het gestileerde haatproza dat Stravinsky hier aan zijn voorganger wijdt, moet behalve in de muzikale ook in de echte wereld worden gekaderd: Stravinsky was zoals velen het door Hitler bedreigde Europa ontvlucht. En hoe anachronistisch ook, Wagners arische prietpraat en antisemitisme kunnen nog moeilijk los worden gezien van het enthousiasme dat Hitler ervoor aan de dag legde. Ook afgezien daarvan fileert Stravinsky hier Wagners hoogdravendheid door diens magnum opus, de enorme tetralogie Der Ring des Nibelungen (ze duurt drie dagen en een vooravond, naar Wagners eigen woord), te laten wegen en te licht bevinden door het bekende wijsje van Verdi: La donna è mobile uit zijn opera Rigoletto. Daarin zingt de hertog van Mantua, een interpretatie van de rokkenjagende hoofdfiguur uit Victor Hugo's Le roi s' amuse, dat alle vrouwen wispelturig zijn. Vederlicht, jazeker, maar niettemin is Rigoletto een tragedie. Dat, en dat alleen, deelt hij met Der Ring des Nibelungen. Er is evenwel geen groter contrast mogelijk dan dat tussen Verdi en Wagner. Tussen smaak en misprijzen. Tussen zinnelijkheid en onzindelijkheid. Tussen savoir-vivre en Selbstdarstellung. Tussen een atheïst en een man die God wilde zijn. Pavarotti, Gruberova, Chailly (Decca) RUDY TAMBUYSER