GUY PEELLAERT EN NIK COHN 'ROCK DREAMS'
...

GUY PEELLAERT EN NIK COHN 'ROCK DREAMS'UIT BIJ TASHEN ALTERA DIFFUSION E19,951973 De rock is dood, zo lijkt het wel. The Beatles zijn gesplit, de generatie van Jim Morrison, Jimi Hendrix en Janis Joplin heeft een repetitiehok in het hiernamaals gehuurd of maakt zich op voor een kaderfunctie in het bedrijfsleven. Bands slikken en gieten zichzelf vol, tot er weinig meer rest dan glamrockers met oogschaduw. De slang heeft zichzelf in de staart gebeten. Reden genoeg voor de Belgische tekenaar Guy Peellaert om een grafschrift te maken. Samen met rockjournalist Nik Cohn maakt hij de balans op van goed twintig jaar rock-'n-roll. Niet met een opeenstapeling van data, feitjes en jukeboxnostalgie, maar met een collectie tekeningen en sfeerteksten die de mythevorming van het rockpantheon - die in Europa nog zoveel groter was dan in de VS - zozeer aandikt dat geen enkele ster er ongeschonden uitkomt. Rock Dreams neemt de kijker/lezer mee naar de geboorte van de rock-'n-roll, die hier ietwat curieus bij Frank Sinatra (zie verder) blijkt te beginnen. De hele bobbie sox-periode, waarin blues en country voor het eerst met elkaar een tong draaiden, verliest in de tekeningen van Peellaert haar maagdelijkheid. Hank Williams wordt opgevoerd als pillenslikkend white trash, de jonge Elvis (mét flink gevulde zwembroek) wordt met- een naar zijn Hawaï-periode gekatapulteerd, en Bill Haley is niet meer dan een vadsige dertiger die Rock around the Clock alleen zingt voor het geld en niet omdat zijn hormonen het hem dicteren. Nadat Chuck Berry en Jerry Lee Lewis tegen het eind van de jaren vijftig al hun liefjes hadden afgehaald aan de high school, leek het vet van de soep. Maar bij het keren van het decennium deed Chubby Checker, de twistende slagersjongen, zijn intrede. Zijn muzikale verdienste kan wellicht niet op tegen die van Lennon/McCartney, maar hij zorgde wél voor zwierige decolletés. Het was voor Peellaert het startschot voor een ode aan de California Girls van The Beach Boys, de wrange romantiek van Roy Orbison en de schooljongens op LSD, The Beatles. Toen kwamen The Rolling Stones (zie verder) en alles werd anders. Poëtischer, smeriger, street wiser. De Stones waren voor Peellaert een hoogtepunt en precies daardoor ook het begin van het einde, dat er in sneltreinvaart aankwam toen de heroïne, de jambands en de make-up het van de heupen begonnen te winnen. Het slotbeeld van het boek zegt alles: een schim van de oudere, drinkende Sinatra, met als onderschrift een quote van The Who: 'I hope I die be- fore I get old'. Rock Dreams is een monument van lelijkheid, en het is verdomd sexy. 'Het is de brutaalste, lelijkste, wanhopigste, meest vileine uitdrukkingsvorm waarvan ik ooit de pech heb gehad om ze te moeten aanhoren', zei the chairman of the Board over rock-'n-roll. En toch opent Guy Peellaert zijn boek Rock Dreams met een beeld van Frank Sinatra. En wij die dachten dat alles was begonnen toen Elvis een single voor zijn mama wou opnemen. In de vroege jaren veertig domineerden big bands en hun swing de jongerencultuur. Ook die van Sinatra, die begon te zingen in clubs in New Jersey, even in de band van trompettist Harry James werkte en dan overstapte naar de band van swinggrootheid Tommy Dorsey, waar hij twee jaar bleef. Eind 1942 maakte hij de eerste grote sprong uit zijn solocarrière. Hij opende voor Benny Goodman, de officiële King of Swing, in het Paramount Theatre in New York. De legendarische ballroom werd bijna afgebroken. Op een maand tijd steeg zijn salaris van 750 naar 25.000 dollar per maand. Tegen het eind van de concertreeks was The Voice een household name in heel de VS. Sinatra werd het slaapkamericoon van alle bobby soxers tussen New York en L.A., en ook het eerste tieneridool. Oké, zijn muziek was niet rock-'n-roll maar met zijn levensstijl schreef hij het handboek van de ware rocker. Of zoals Dean Martin, zijn maatje bij The Rat Pack, het zei: 'You're not drunk if you can lie on the floor without holding on.' Net zoals de negentiende eeuw eigenlijk tot aan de Eerste Wereldoorlog heeft geduurd, zijn de jaren vijftig blijven doorlopen tot 1962. Toen kwam Bob Dylan met een goed uitgekiend imago de tijden veranderen, en werd de rock - zowel muzikaal als tekstueel - volwassen. Guy Peellaert wijdt in Rock Dreams verschillende tekeningen aan de Great White Hope, van de prille dagen in New York tot de joodse patriarch aan de familiedis. Dit portret is het meest bijtende van de reeks. We zitten intussen in 1965, het jaar van de elpee Bringing It All Back Home en de historische tourneefilm van P.A. Pennebaker, Don't Look Back. Dylan haalde zich in dat jaar de haat van de hele folkbeweging op zijn nek door de helft van de plaat elektrische songs te spelen. Nummers als Subterranean Homesick Blues, Love Minus Zero, It's Alright Ma (I'm Only Bleeding) en It's All Over Now, Baby Blue cementeerden hem in de rockgeschiedenis. Uitgerekend die iconisering is gedroomd materiaal voor Peellaert, die de gevallen folkie met het schaapsjasje opvoert als een vedette met Marlène Dietrich-allures, afgeschermd van de wereld in een limousine op Times Square. De kop van Dylan is een bewerking van een beeld uit Don't Look Back, de handen en de kat zijn uit de hoes van Bringing It All Back Home gelicht. De poes was trouwens eigendom van Andy Warhols maatje Edie Sedgwick, ze heette Smoke en ze is in vlammen opgegaan toen Sedgwicks appartement uitbrandde. Door Bart Cornand