'Ken Burns' Jazz', vanaf 6/2, twaalf donderdagen lang û ca. 23.45 Ned3
...

'Ken Burns' Jazz', vanaf 6/2, twaalf donderdagen lang û ca. 23.45 Ned3 Jazz is het toppunt van individualisme. Je kunt een podium opstappen en zeggen: het doet er niet toe hoe iemand anders dit vroeger speelde, dit is hoe ík het speel.' Met die zin zet journalist Gary Giddins in de eerste aflevering van Ken Burns' Jazz de lijnen uit van wat deze documentaire over het muziekgenre had kunnen zijn. Burns zelf gaf er een heel eigen interpretatie aan en die gaat ongeveer zo: 'In den beginne was er Louis Armstrong, en op het eind Wynton Marsalis.' De cineast was met Jazz niet aan zijn proefstuk toe. In de jaren negentig gooide hij hoge ogen met series over de Amerikaanse Burgeroorlog en de geschiedenis van het baseball. Op het eerste gezicht een wat vreemd parcours, maar Burns werkte wel degelijk aan een oeuvre. Want als ze over 2000 jaar de Amerikaanse cultuur bestuderen, zullen er volgens Burns drie grote pijlers overblijven: de grondwet, het baseball en de jazz, die stuk voor stuk een cruciale rol hebben gespeeld in de ontvoogding van de zwarten. Burns, een zelfverklaarde jazzleek, vertrok dus vanuit een politiek standpunt en omringde zich met medewerkers die die lijn wilden volgen. In Wynton Marsalis vond hij zijn gedroomde muzikale adviseur: een virtuoze trompettist, afkomstig uit New Orleans, zwart, strak in het pak, gerespecteerd en gevreesd. Sinds halfweg de jaren negentig was hij immers talentscout voor Columbia Records en hoofd van Jazz at Lincoln Center in New York. Een man met macht dus, wat hem in tandem met de revisionistische criticus Stanley Crouch de titel van 'jazzpolitie' opleverde. Het was niet eens overdreven: zij bepaalden jarenlang wat jazz was en wie een groot platencontract kreeg. De criteria waren simpel: 'échte' jazz gaat terug op de periode vóór 1960, swingt, en wordt in 99 procent van de gevallen door zwarten gespeeld (intussen is Marsalis ontslagen bij Columbia, maar dat terzijde). Die politiek werd automatisch ook de rode draad van Jazz. Toen de serie in 2001 in de VS werd uitgezonden, schoten muzikanten en jazzkenners met scherp. Helemaal onterecht was dat niet. Burns en Marsalis verklaren Louis Armstrong en Duke Ellington zowat heilig, al is zeker voor die eerste de invloed na 1940 behoorlijk twijfelachtig. Daarnaast gaat er bijzonder veel aandacht naar biografische details, terwijl de kijker niet één compositie integraal te horen krijgt. Bovendien zet de eerste aflevering, die vol zit met socio-culturele breedsprakerigheid over de voedingsbodem van de jazz, niet meteen aan om de hele reeks uit te zitten. Maar de grootste, grove misser is het twaalfde deel, waarin de hele periode van 1960 tot vandaag wordt samengeperst. Geen woord over het Mahavishnu Orchestra of Weather Report, alleen de melding dat de jazz vanaf de jaren tachtig uit de dood opstond dankzij... Wynton Marsalis en zijn ontdekkingen. Toen we Marsalis vorige maand aanklampten na zijn uitstekende concert in deSingel, was zijn commentaar kort maar krachtig: 'Als filmmaker is Burns bijna een genie, en op dat vlak alleen al is de documentaire een grootse prestatie. Maar wat belangrijker is: ze heeft miljoenen mensen die weinig of niets van jazz afwisten op weg geholpen. De cd-verkoop is voor het eerst in jaren gestegen. Mensen sturen hun kroost naar de muziekacademie, in Amerikaanse lagere scholen krijgen duizenden kinderen eindelijk les over zo'n belangrijk deel van ons culturele erfgoed. En daar is het me van bij het begin om te doen geweest.' Geef de man eens ongelijk. Bent u vaag geïnteresseerd in jazz, maar weet u in de platenwinkel nooit waar te beginnen? Kijk naar Jazz. Hebt u al een aardige collectie en wilt u een schitterend gemaakte documentaire zien? Kijk naar Jazz. Gaat u over uw nek omdat Burns het verkeerde huisnummer van Duke Ellington opgeeft? Knap van u; wanneer maakt u zelf een documentaire? Met jazzcritici moet je uitkijken. Take it from a fool who knows. Door Bart Cornand