Eerste zin Paul Krüzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd.
...

Eerste zin Paul Krüzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd. Paul woont in Mariënveen, in het oosten van Nederland, tegen de Duitse grens aan. Hij heeft een handeltje in curiosa en militaria, wat in de praktijk betekent dat hij vooral nazispullen verkoopt. Daarnaast zorgt hij voor zijn bejaarde vader Aloïs, wiens been door gangreen is aangetast. Hij heeft het ouderlijke huis nooit verlaten, wat hij vooral aan zijn moeder Alice wijt, die toen hij acht was ervandoor ging met een Rus die met zijn sproeivliegtuigje in hun maïsveld was neergestort na zijn vlucht uit de Sovjet-Unie. 'Sinds ze weg was, tochtte het in huis', herinnert Paul zich. Ooit had Paul iets met de Thaise Lalita, een prostituee die bij hem introk en die hij niet veel later, en 20.000 euro armer, weer afzette aan haar bordeel. Nu is hij verliefd op Rita, alweer een hoer, die werkt in de Duitse club waar hij regelmatig zijn gerief zoekt. Rita, denk je dan, is niet toevallig ook de patroonheilige van de hopeloze gevallen. Want net zoals zoveel plaatsjes in het oosten van Nederland is Mariënveen een oord van achterblijvers, mensen die de boot hebben gemist naar de Randstad in het westen, een oord waar Chinezen, Russen, Roemenen en Bulgaren aanspoelen, die het gevoel van hopeloosheid nog vergroten wanneer ook zij op hun beurt weer vertrekken. Wieringa beschrijft het nuchter, kalm, zonder spot of medelijden. Hij weet wat het is om in Mariënveen te wonen, want hij komt zelf uit een gelijkaardig dorp in de provincie Twente. De heilige Rita is daardoor een persoonlijke roman geworden, een mijmerend boek, over de voortgang van de tijd, het doorwegen van het verleden en de dreiging van het heden. Pauls leven neemt immers een andere wending wanneer de buurtwinkel van Hedwiges overvallen wordt. Hedwiges een tijdloze figuur die zijn klandizie zachtjesaan heeft zien verdwijnen, maar toch nog iedere dag zijn schort aantrekt en voor zijn uitstalraam gaat staan. Paul had er nooit eerder bij stilgestaan, maar misschien is Hedwiges wel zijn enige vriend, en dus neemt hij het voor hem op. Hij denkt te weten wie de daders zijn en bazuint dat vrolijk rond. Maar zij weten natuurlijk ook wie hij is.