august Strindberg

Ingmar Bergman studeerde kunst en literatuur aan de universiteit van Stockholm, waar hij als acteur en regisseur betrokken raakte bij een toneelkring en waar zijn literaire bagage gevoelig werd uitgebreid. Zijn favorieten: Shakespeare, O'Neill en Anouilh, maar vooral de grote Zweden Hjalmar Bergman (géén familie) en August Strindberg (1849-1902). Die laatste, met zijn existentiële thematieken en moderne stijl, zou uitgroeien tot zijn grote voorbeeld en inspirator. Niet alleen zou Bergman, die zichzelf altijd als een mislukt schrijver en Strindbergepigoon beschouwde, de meeste van diens baanbrekende stukken op de planken brengen, zoals Fröken Julie. Zijn opus magnum Fanny & Alexander eindigt ook niet toevallig met een personage dat voorleest uit Strindbergs Droomspel. De ultieme hommage aan de auteur die de aarde ooit 'het strafkamp, gekkenhuis en mortuarium' van het universum noemde en alleen mannen in staat achtte tot ware liefde, 'meteen de reden waarom ze verblind zijn'.
...

Ingmar Bergman studeerde kunst en literatuur aan de universiteit van Stockholm, waar hij als acteur en regisseur betrokken raakte bij een toneelkring en waar zijn literaire bagage gevoelig werd uitgebreid. Zijn favorieten: Shakespeare, O'Neill en Anouilh, maar vooral de grote Zweden Hjalmar Bergman (géén familie) en August Strindberg (1849-1902). Die laatste, met zijn existentiële thematieken en moderne stijl, zou uitgroeien tot zijn grote voorbeeld en inspirator. Niet alleen zou Bergman, die zichzelf altijd als een mislukt schrijver en Strindbergepigoon beschouwde, de meeste van diens baanbrekende stukken op de planken brengen, zoals Fröken Julie. Zijn opus magnum Fanny & Alexander eindigt ook niet toevallig met een personage dat voorleest uit Strindbergs Droomspel. De ultieme hommage aan de auteur die de aarde ooit 'het strafkamp, gekkenhuis en mortuarium' van het universum noemde en alleen mannen in staat achtte tot ware liefde, 'meteen de reden waarom ze verblind zijn'. Een van de persoonlijke dieptepunten uit Bergmans leven was ongetwijfeld zijn arrestatie in 1976 wegens belastingfraude. Hoewel de aanklacht later zou worden geseponeerd, waren de gevolgen verregaand: een ernstige zenuwinzinking, de sluiting van zijn privéstudio in Farö én een vrijwillige ballingschap in München - de vernederde Bergman wilde nooit meer in Zweden werken - waar pas in 1984 een eind aan kwam. Hoewel Bergman tijdens die periode met het idee speelde in Hollywood te gaan filmen, bleef het wat Engelstalige output betreft uiteindelijk bij de ontgoochelende Duits-Britse coproductie The Serpent's Egg (1977) met David 'Kill Bill' Carradine en Liv Ullmann te midden van de opkomende nazihorror. 'Toen Bergman Zweden verliet,' zei Mel Brooks ooit, 'klaagde hij over het totalitarisme van de welvaartstaat, de metafysische angst en zijn impotentie als kunstenaar. Toen hij drie weken later Californië verliet, klaagde hij over de hitte.' Hoewel Woody Allen hem zijn mentor noemde, 'die hem alles als filmmaker heeft geleerd', moest zelfs hij toegeven dat hij Bergmans werk pas had leren kennen nadat hij als tiener had gehoord dat er naakt in voorkwam, en daarop stiekem de bioscoop was binnengeglipt. In casu ging het daarbij om de blote kont van Harriet Andersson, die in het toen fel gecontesteerde schandaalnummertje Zomer met Monika (1952) full monty op een fjord stond te huppelen, wellicht het allereerste volledige naakt in een mainstreamfilm. Ook later zou Bergman geregeld zijn steentje bijdragen tot de seksuele revolutie en de morele ontvoogding met controversiële beelden en thema's, zoals de verkrachtingsscène in de middeleeuwse wraakballade De Maagdenbron (1959) of de scabreuze toneelrepetities uit het anticensuurpamflet Het Ritueel (1969). 'Een pornograaf die in niets van zijn libertijnse landgenoten verschilt', zou de christelijke pers - die hem met Het Zevende Zegel nochtans hartstochtelijk aan de borst had gedrukt en een carrière lang zouden pogen te recupereren - dan ook fulmineren. 'Een bedrieger die met vulgaire seks goedkoop succes zoekt.' Toen hadden ze natuurlijk nog geen Deep Throat om zich druk over te maken. Bergman noemde het theater ooit zijn veeleisende echtgenote en film zijn opwindende minnares en deed voor beide een beroep op een vast ensemble acteurs. Die haalde hij in de regel bij het nationale toneelhuis Dramaten in Stockholm, waarvan hij ook lange tijd artistiek leider was. De bekendste namen: Harriet Andersson, Bibi Andersson, Ingrid Thulin, Gunnar Björnstrand, Erland Josephson, Pernilla August, Lena Olin, Peter Stormare én wellicht de twee bekendste en meest archetypische Bergmanprotagonisten: Max von Sydow en Liv Ullmann. Ook achter de camera werkte Bergman vaak met een vaste ploeg: in de jaren vijftig steevast met cameraman en lyrisch natuurpoëet Gunnar Fischer, terwijl hij vanaf begin jaren zestig een beroep deed op de strenge stilist Sven Nykvist, wiens indringende, psychologiserende camerastijl - met de bekende, expressieve close-ups - later ook school maakte in Hollywood. De belangrijkste figuur uit Bergmans leven was zonder twijfel zijn vader Erik: een Lutheraans predikant die door iedereen (en vooral door vrouwen) werd bemind, maar in de films van zijn zoon (van de sadistische leraar uit Hets tot de strenge voorganger uit Fanny & Alexander) steevast werd getypecast als een gewetensloze, tirannieke patriarch. Vooral zijn streng religieuze opvoeding en de vernederende straffen (de kleine Ingmar werd vaak in de kast opgesloten of er werd een paar dagen lang niet meer tegen hem gepraat) traumatiseerden de overgevoelige Bergman. Dat leidde in zijn jeugd zelfs tot enkele onhandige zelfmoordpogingen en later, in zijn altijd autobiografisch getinte oeu-vre, tot leidmotieven als de norse, dominante vaderfiguur, duistere spleten en kieren waarin allerlei geheimen sluimeren, verwrongen seksuele verlangens, beklemmende rituelen, dreigend tikkende klokken én de stilzwijgende, sadistische god. Zoekende adolescenten, metafysische twijfels, straffende vaders, liefde die ontluikt en terug verwelkt, plus: de louterende kracht van kunst. Als er één film is die Bergmans dada's op meesterlijke manier verenigt dan is zijn met vier Oscars bekroonde, semi-autobiografische filmtestament Fanny och Alexander (1983) wel, of 'de totale som van mijn leven als filmmaker' zoals Bergman het omschreef. Centraal in deze weids uitwapperende familiekroniek (de 197 minuten durende filmversie werd gesneden uit een 340 minuten durende tv-serie) staat de puberende Alexander en zijn zus Fanny. Ze groeien gelukkig op in het kleurrijke, theaterminnende bourgeoisgezin Ekdahl, tot hun vader sterft en hun moeder hertrouwt met de strenge predikant Edvard Vergerus. Hoewel het Bergmans laatste officiële film was, maakte hij daarna nog verschillende scenario's, toneelstukken en tv-films zoals Na de Repetitie (1984) en Saraband (2005). Sinds de prille jaren zestig woonde en werkte Bergman een groot deel van het jaar op het kleine, rotsachtige eiland Farö voor de oostkust van Zweden. Daar was het ook dat de meester op 30 juli 2007 in zijn slaap overleed, en ook verschillende van zijn bekendste films - Persona, Schaamte, Als in een Donkere Spiegel, Het Uur van de Wolf en Scènes uit een Huwelijk - werden op dit amper 600 zielen tellende eiland gedraaid, met zijn ruige kiezelstranden, grillige rotsformaties en ijzige klimaat meteen het ideale decor voor Bergmans beproefde protagonisten om hun demonen te bekampen. Sinds Tarantino de tragische held door de ironische verving, is de invloed en populariteit van Bergman, zeker bij het jonge volkje, getaand. Toch zijn er weinig regisseurs die zoveel artistieke impact en intellectuele envergure hadden als hij. Dat zijn films zelden of nooit kassuccessen werden en zelfs torenhoog boven vulgaire commerciële besognes verheven leken, belette hem niet om verschillende Oscars; Golden Globes, de Gouden Palm der Palmen en andere prestigeprijzen te winnen. Ook het aantal regisseurs dat door zijn werk werd geïnspireerd, kan nauwelijks worden overschat: van old school-grootheden als Stanley Kubrick, Robert Altman, Krzysztof Kieslowski, Woody Allen (die hem het grootste genie uit de filmkunst en zijn spirituele vader noemde) en Andrei Tarkovski (die zelfs een film opnam in Farö), tot jonge(re) cineasten als Lars von Trier, Jim Jarmusch, Old Boy-regisseur Park Chan-wook en David Lynch. Wie de link met die laatste wil begrijpen, moet De Grote Stilte (1962) bekijken, het laatste en beste luik van Bergmans trilogie Gods Zwijgen én een hallucinante, surreële bad trip die qua weirdness en unheimlichkeit zelfs Eraserhead naar de kroon steekt. Ernst Ingmar Bergman, op 14 juli 1918 geboren in het kleine Zweedse universiteitsstadje Uppsala, kreeg zijn eerste artistieke impulsen toegediend toen zijn ouders - dominee Erik Bergman en amateuractrice Karin Akerblom - hem op elfjarige leeftijd een Laterna Magica of toverlantaarn cadeau deden. Met dat apparaat kon de kleine, chronisch ziekelijke Bergman voor het eerst beelden projecteren op een muur en knutselde hij zijn allereerste 'filmpjes' ineen: meestal stukken van Strindberg waarvoor hij zelf de decors tekende, marionetten maakte, lichteffecten verzorgde en de verschillende stemmen insprak. Bovendien is Laterna Magica ook de titel van zijn ophefmakende autobiografie uit 1987. Daarin brengt Bergman niet alleen een genadeloze analyse van zijn artistieke erfenis: ook zijn affaires, huwelijken, ontmoetingen, ouders, jeugdjaren en geheimen komen er op een confronterende manier in aan bod. Meest choquante ontboezeming, zeker voor een vrijzinnige Zweed: zijn sympathie als tiener voor Adolf Hitler van wie hij in 1937 een speech bijwoonde. 'Ik had hem werkelijk lief', biecht Bergman op. 'Jarenlang stond ik aan Hitlers kant, verheugde ik mij over zijn successen en treurde ik om zijn nederlagen.' Bergmans broer richtte trouwens de Zweedse nationaal-socialistische partij op. Toen Michelangelo Antonioni - die andere legende van de Europese arthouse en de maker van modernistische meesterwerken als L'avventura en Blowup - op dezelfde dag als Bergman overleed, meenden cultuurpessimisten dat de ambitieuze auteursfilm definitief ten grave werd gedragen. Ondanks hun gezamenlijke adieu, thematieken en impact op de filmkunst, konden de twee elkaars werk maar matig appreciëren. Zo noemde Bergman Antonioni's oeuvre, met uitzondering van La Notte en Blowup, 'duivels saai, het werk van iemand die nooit het vak heeft geleerd en altijd die vreselijke actrice Monica Vitti opvoert', terwijl Antonioni het compliment repliceerde door Bergman 'een steriele huismus' te noemen met een 'ziekelijke obsessie voor zichzelf'. Van je collega's moet je het hebben. Zowel privé als professioneel consacreerde Bergman een flink deel van zijn leven aan het doorgronden van de vrouwelijke psyche. Minstens even legendarisch als de complexe vrouwenrollen in zijn films zijn dan ook zijn stormachtige romances, al liepen feit en fictie bij Bergman wel eens op een ingewikkelde, pijnlijk confronterende manier dooreen. Met tal van zijn fetisjactrices - Harriet Andersson, Bibi Andersson én Liv Ullmann - had Bergman dan ook een openlijke relatie, ook al was hij meestal tegelijk met een andere vrouw getrouwd. Uiteindelijk zou Bergman vijf keer in het huwelijksbootje stappen en negen kinderen nalaten bij vijf verschillende vrouwen, exclusief flirts en affaires. Zijn bekendste 'vrouwenfilms'? Zijn lyrische doorbraak Zomer met Monika (1952), het tot reli-kwie van de modernistische kunstfilm gepromoveerde dubbelportret Persona (1966), het aangrijpende requiem Kreten en Gefluister (1972) over een terminale patiënte en haar twee zussen, het epische kamerspel Scènes uit een Huwelijk (1973) waarin de hoogtes en laagtes - vooral de laagtes eigenlijk - van een burgerhuwelijk worden beschreven, en bij uitbreiding zowat elke Bergmanfilm waarin vrouwen vaak met penetrante close-ups en lange, ononderbroken takes worden vereerd en gefileerd, alsof het vreemde, buitenaardse wezens zijn. Wellicht zijn bekendste maar daarom niet zijn beste film is deze sombere middeleeuwse allegorie ut 1957 over ridder Antonius Block (een nog vermoeider dan gewoonlijk ogende Max von Sydow), die verbitterd terugkeert van de kruistochten, door ruwe kustdecors doolt waarin de zwarte dood woedt en in de meest legendarische scène een partijtje schaak speelt op leven en dood met Magere Hein. Met zijn strenge, spookachtige zwart-witstijl, existentialistische teneur en bijbelse gravitas zou de film het zinnebeeld van de ernstige Europese kunstfilm worden, waarmee Bergman (indertijd al aan zijn 16e lang-speler toe) zijn status als arthousepaus en 'auteur' definitief bevestigde en volgens de filmorakels van Les cahiers du cinéma de film had bevrijd van het literaire dictaat. Geen wonder dat het iconische maar gitzwarte Het Zevende Zegel later ook ontelbare keren zou worden geparodieerd, onder meer in Woody Allens Love and Death, de BBC-comedyreeks French & Saunders én de tienerkomedie Bill & Ted's Bogus Adventure, waarin Keanu Reeves Magere Hein verslaat in een spelletje Zeeslag, Cluedo en Twister. Waar Bergman in het begin van zijn carrière nog een kwaadwillige recensent ineentimmerde na een negatieve krantencommentaar, zou de zwaarmoedige Zweed zich later ontpoppen tot misschien wel zijn eigen strengste criticus. Zo schreef Bergman in 1968 onder het pseudoniem Ernest Riffe zelfs een aantal vitrioolkritieken waarin hij zijn eigen films afdeed als de 'misantropische, levenloze afkooksels van een egocentrische narcist', terwijl zijn werk - en bij uitbreiding het leven - hem ook later maar weinig vrolijke gedachtes wist te ontlokken. 'Ik kijk zelden of nooit naar mijn eigen films', bekende Bergman in een later interview. 'Ze maken me nerveus en ellendig, tot huilens toe. Ik vind het vreselijk.' Ook zijn tientallen toneelensceneringen konden hem uiteindelijk maar matig bekoren. 'Ik heb altijd vreselijke buikpijn gehad en dus kreeg ik in de theaters waar ik werkte meestal een eigen wc', schreef hij sarcastisch in Laterna Magica. 'Die wc's zijn vermoedelijk wat er van mij overblijft in de theatergeschiedenis.' Door Dave Mestdach