Wie in Nederland een deur opensteekt, krijgt geheid een vlaag spruitjesgeur in het gezicht, en daarom houdt Allard Schröder niet van zijn vaderland. Of hij schrijft er toch niet graag over, want een kamer kun je luchten door een raam open te gooien, maar met een boek mag je nog zo fervent heen en weer zwaaien, eens spruitjes blijven het spruitjes.
...

Wie in Nederland een deur opensteekt, krijgt geheid een vlaag spruitjesgeur in het gezicht, en daarom houdt Allard Schröder niet van zijn vaderland. Of hij schrijft er toch niet graag over, want een kamer kun je luchten door een raam open te gooien, maar met een boek mag je nog zo fervent heen en weer zwaaien, eens spruitjes blijven het spruitjes. Centraal in De dode arm staat Ernst Elfkind Coltersteen, die van zijn moeder te horen krijgt dat zijn vader zijn vader niet is. Hij is in 1945 in Londen geboren, zegt ze, en zijn vader heet Thuler. Dat moet een Amerikaanse gevechtspiloot geweest zijn, denkt Ernst, en hij droomt ervan hem ooit terug te zien. Voor het Nederlandse A., waar hij woont, is Ernst een bastaard, terwijl hij zelf schippert tussen uitverkorene en verschoppeling en zich rechthoudt aan Almi, zijn gehandicapte buurmeisje dat mentaal nooit ouder dan drie zal worden en in wie hij een soort idiot savant ziet. Bloedmooie, heldere klanken uitbrengend terwijl ze met het hoofd schuin naar de wolken kijkt, zal ze Ernsts visie op de mensheid bepalen. Zij is de ideale vrouw. En hij is de eeuwig wachtende naast haar, de naoorlogse man zonder eigenschappen die zich afvraagt wanneer het leven nu eindelijk zal beginnen. Duitsland is een constante in het werk van Schröder en ook hier kunnen we er niet omheen. Er is Robert Musil natuurlijk, maar er wordt ook een vette knipoog getrokken naar Hoffmann en Goethe staat prominent op de voorgrond. Opeens duikt immers ene Chas Widergaenger op, een duivelse jongeling met een verschrompeld armpje die voor Ernst een wereld van intellectueel genot opengooit en hem laat kennismaken met de anarchistische stroming binnen de romantiek. Lever je aan mij over en ik zal je altijd en overal te hulp komen, belooft Widergaenger, en als een naïeve Faust gaat Ernst in op zijn aanbod, wat leidt tot de dood van de onschuldige Almi. Zij verdrinkt in een dode rivierarm, en of Widergaenger wel zo onschuldig is als hij beweert, valt zeer te betwijfelen. Omdat niets hem nog bindt, vertrekt Ernst naar Duitsland. In Frankfurt heeft Ernst een relatie met een RAF-terroriste die de fouten van haar nazivader op haar manier herhaalt, en zoals steeds laat Ernst, de man van glas, het allemaal over zich heen gaan. Later gaat hij jarenlang in een bos wonen om te leven als een eenvoudige houtvester, weg van de waan van de dag, maar ook daar kan hij niet ontsnappen aan de geschiedenis. Wanneer hij uiteindelijk zijn vader vindt, en wanneer blijkt dat die helemaal geen Amerikaanse vliegenier is, heeft hij daar geen problemen mee, want ergens beseft hij ook dat hij een bevredigend leven heeft geleid, zonder dogma's en heilige huisjes. Als lezer merk je dat Schröder het hier met zijn bedwelmend proza over veel meer heeft dan zomaar een zonderlinge Nederlander. Ernst is een metafoor voor onze West-Europese cultuur, en onwillekeurig komen dan de woorden van zijn oude schoolrector weer boven: 'Een mens is van alles, m'n beste jongen, maar bovenal een kerkhof van zijn dromen.' Allard Schröder, De Bezige Bij, 571 blz., ? 29,90. MARNIX VERPLANCKESLEUTELZIN: Ongeduldig wachtte hij op die ene grote gebeurtenis die alles anders zou maken, hoewel het ook kon dat dat moment al voorbij was.