GROWN BACKWARDS
...

GROWN BACKWARDS (NONESUCH/WARNER) In concert: 4/5 Concertgebouw, Brugge. De klassieke aspiraties van David Byrne groeien met elke plaat. Niet enkel op de soundtrack van Young Adam bekende hij wat dat betreft kleur. Op Look Into The Eyeball, zijn vorige reguliere solo-cd, koppelde hij kamermuziek aan grooves en popmelodieën. Grown Backwards gaat daarin nog een stapje verder. Worden in de popmuziek strijkers doorgaans pas achteraf toegevoegd, als opsmuk, op deze plaat delen net de violen en de cello's de lakens uit. Zij spreiden het bedje. De ritmesectie hoeft het werk enkel af te maken. Dat doet het trouwens met fantasie. In nummers als Glass, Concrete And Stone en Tiny Apocalypse is de percussie speels, fris en gelaagd. Tosca Strings, een strijkersorkest met tango-achtergrond, is geknipt voor de dragende rol. Het is - door eerdere opdrachten voor onder meer Willie Nelson, Lyle Lovett, Shawn Colvin, John Cale en Dixie Chicks - vertrouwd met popmuziek. Bovendien toerde het gemengde gezelschap een jaar lang met Byrne voor het met hem de studio in trok. De arrangementen zijn inventief. In Empire, een song over de buitenlandpolitiek van de Amerikaanse regering, laveren de blazers van Carla Bley's jazzband tussen nederige weemoed en naïeve uitgelatenheid. Opmerkelijk is dat Byrne als zanger de lat steeds hoger legt. Waarom laat hij zich op deze cd in met Italiaanse en Franse opera? Als expressieve, maar technisch weinig verfijnde vocalist moet hij op het topje van zijn kunnen opereren om dit huzarenstukje tot een min of meer goed einde te brengen. Au Fond Du Temple Saint van Bizet - in duet met Rufus Wainwright - heeft nog een zekere charme, maar de interpretatie van Un Di Felice, Eterea - uit Verdi's La Traviata - lijkt me louter door een zucht naar excentriciteit ingegeven. Byrne heeft die bizarre uitstapjes niet nodig om indruk te maken. Op compositorisch gebied verkeert hij in bijzonder goeie doen. De eigen songs die de eerste helft van de plaat bevolken, behoren zonder meer tot het beste dat hij de voorbije 20 jaar aan het papier heeft toevertrouwd. En al flirt hij een paar keer met musical uit de jaren '40 - zoals in het met een gemuteerde muziekdoos opgesierde The Other Side Of This Life - en covert hij het bloedmooie americalied The Man Who Loved Beer van Lambchop, Grown Backwards toont méér eenheid in sfeer dan Look Into The Eyeball. Buiten het funky Dialog Box - even komen Talking Heads je weer voor de geest - is dit een bitterzoete, warme, zachtmoedige laatavondplaat. Dat tegen het einde van het album de wendingen van bossafan Byrne wat gekunsteld overkomen, zadelt ons met gemengde gevoelens op. Maar ondanks enkele schoonheidsfoutjes verrijkt de wereldartiest alweer zijn ontzagwekkende oeuvre. Peter Van Dyck