Clay Shirky, Penguin/Allen Lane, 256 blz., euro29,95
...

Clay Shirky, Penguin/Allen Lane, 256 blz., euro29,95 Als het over het internet gaat, lijk je vaak in een discussie tussen believers en non-believers verzeild te raken. Nicholas Carr, van wie we enkele weken geleden op deze plaats het uitstekende The Shallows bespraken, bevindt zich bijvoorbeeld veeleer in het kamp van de non-believers, terwijl Clay Shirky meer in de andere groep thuishoort. Of beter gezegd: mochten de believers een president moeten verkiezen, is de kans groot dat Shirky een stalinistische score laat optekenen. In zijn vorige boek Here Comes Everybody blies Shirky, professor Nieuwe Media aan de universiteit van New York, de loftrompet over de manier waarop het internet mensen van over de hele wereld toelaat om grote netwerken te vormen. In Cognitive Surplus gaat hij daarop door en toont hij hoe dat wereldwijde web ons allemaal veel creatiever heeft gemaakt. De redenering is de volgende: sinds de opkomst van de postindustriële maatschappij hebben mensen in de westerse samenlevingen steeds meer vrije tijd gekregen. Tot het internet er was, ging die tijd vooral op aan televisie kijken, een passieve en weinig uitdagende activiteit. Vandaag houden velen zich via hun computer op een veel creatievere manier bezig, door blogs bij te houden, artikels te schrijven voor Wikipedia of filmpjes op YouTube te zetten. Voor Shirky staan we nog altijd maar aan het begin van die evolutie, nu meer en meer mensen de mogelijkheden van het internet ontdekken en sociale netwerken steeds sterker worden. Dat consumenten voor hun 'content'niet meer afhankelijk zijn van grote bedrijven, maar die zelf kunnen produceren en delen, zal volgens de man ook tot een betere en meer democratische wereld leiden. Het onvermoeibare optimisme en de vlotte stijl zorgen ervoor dat Cognitive Surplus een boek is waar je makkelijk in mee stapt, alleen kun je je wel vragen stellen bij de uitgangspunten van de auteur. Uit enkele recente onderzoeken blijkt bijvoorbeeld dat het aantal uren dat mensen voor tv zitten, niet daalt; integendeel, het gaat zelfs omhoog als je de tijd dat consumenten via hun computer, smartphone of iPad programma's bekijken, meetelt. Bovendien is het bij sites als Wikipedia of YouTube net als bij 'gewone' mediabedrijven een kleine minderheid die voor de 'content' zorgt, en wat die produceert, is niet per definitie beter dan wat er op tv te zien is. Technologiejournalist Bradley Bloch verwees in een recent artikel naar een van de populairste filmpjes op YouTube, 'Charlie bit my finger - again', een video van nog geen minuut waarin een jongetje zijn vinger in de mond van zijn broertje stopt. De vader had het op internet gezet zodat de grootvader het kon zien, en ondertussen werd het daar al meer dan tweehonderd miljoen keer bekeken. 'Iets wat 56 seconden kostte om te maken', aldus Bloch, 'heeft ervoor gezorgd dat de tijd van 1600 mensen die een jaar lang 40 uur per week werken in rook opging.' Stefaan Werbrouck