'Ik praat liever tegen een dier dan tegen mensen, want mensen reageren meestal stom.' Koen is duidelijk een grote dierenvriend, en wanneer hij zich triest voelt, kruipt hij 's nachts graag bij hen in de schuur. Hij is een van de vier kinderen die door regis...

'Ik praat liever tegen een dier dan tegen mensen, want mensen reageren meestal stom.' Koen is duidelijk een grote dierenvriend, en wanneer hij zich triest voelt, kruipt hij 's nachts graag bij hen in de schuur. Hij is een van de vier kinderen die door regisseur Janet van den Brand gedurende vier seizoenen werden gevolgd op een afgelegen boerderij in Zeeland, waar het boerenleven van vader op zoon en generatie op generatie wordt overgedragen. Van den Brand richt haar camera vooral op hun dagelijkse beslommeringen - hooi scheppen, zand omploegen, op quads rijden, biggetjes knuffelen en occasioneel een arm dier naar de slachtbank begeleiden -, terwijl de puberteit met al haar verlokkingen om de hoek loert en sommige kinderen zich beginnen af te vragen of dat wel het leven is dat ze willen leiden. Wie wil zien hoe een haan wordt onthoofd of hoe een kalf ter wereld komt, kan iets van Ceres opsteken. En het siert Van den Brand dat ze een onsexy onderwerp als dit discreet en zonder moraliserend vingertje belicht. Alleen lijkt ze te vergeten dat goede documentaires ook een strakke spanningsboog hebben, en verliest ze zich in een beeldtaal die tot vervelens toe neigt naar poëtische mijmeringen over wat men weleens de cyclus van het leven noemt.