Een halve eeuw geleden brachten The Beatles Sgt Pepper's Lonely Hearts Club Band uit, Jimi Hendrix Are You Experienced? en Leonard Cohen Songs of Leonard Cohen. Reken daar nog de (debuut)platen van The Doors, The Velvet Underground, Jefferson Airplane, Captain Beefheart, Tim Buckley, Pink Floyd, The Kinks, The Rolling Stones, The Byrds, The Beach Boys, The Mothers of Invention, Cream en Grateful Dead bij en u begrijpt waarom muziekliefhebbers extatisch worden als het over het piekjaar van de hippies gaat: 1967.
...

Een halve eeuw geleden brachten The Beatles Sgt Pepper's Lonely Hearts Club Band uit, Jimi Hendrix Are You Experienced? en Leonard Cohen Songs of Leonard Cohen. Reken daar nog de (debuut)platen van The Doors, The Velvet Underground, Jefferson Airplane, Captain Beefheart, Tim Buckley, Pink Floyd, The Kinks, The Rolling Stones, The Byrds, The Beach Boys, The Mothers of Invention, Cream en Grateful Dead bij en u begrijpt waarom muziekliefhebbers extatisch worden als het over het piekjaar van de hippies gaat: 1967. Zo bont maakt de terugblikkende filmliefhebber het niet, maar ook die heeft geen lsd nodig om nostalgisch te worden over de beruchte summer of love. Toch niet als hij zich concentreert op het dozijn films dat erbovenuit stak, de non-conformistische spirit van de sixties eerde en duidelijk maakte dat het tijd was voor een nieuw Hollywood. In de jaren zestig weet Hollywood niet meer vanwaar de wind komt. De concurrentie met televisie is bikkelhard en het bevindt zich aan de verkeerde kant van de generatiekloof. De studio's proberen het met ongeïnspireerde films met sterren die al jaren de dienst uitmaken. The Taming of the Shrew is Shakespeare met Elizabeth Taylor en Richard Burton. The War Wagon is de zoveelste western met John Wayne. Doctor Dolittle is een peperdure musical over een dokter die met dieren kan spreken. Geen kat echter die dát wil dat zien, en 20th Century Fox gaat ei zo na bankroet. Tinseltown lijkt niet in te zien dat er andere tijden aangebroken zijn. Andere tijden die vragen om andere films, andere regisseurs, andere gezichten. Het heeft te lang vastgehouden aan de oude vormen, de klassieke filmvertelling en een niet vol te houden, puriteinse zelfcensuur. In Europa is de filmkunst springlevend. De grote filmauteurs blijven relevant werk maken en zijn niet veroordeeld tot gerommel in de marge. De Spaanse surrealist Luis Buñuel scoort zijn grootste hit met Belle de Jour, het afgemeten portret van een stijfburgerlijke doktersvrouw met sadomasochistische fantasieën en een dubbelleven als prostituee. Catherine Deneuve is op haar mooist, chicst en ongenaakbaarst. De ijskoningin ten prooi zien vallen aan haar seksualiteit is een wonderlijke ervaring. De Franse filmclown Jacques Tati tovert zijn magnum opus uit de hoed. Playtime spot met het geklungel van de mens die niet aangepast is aan zijn modernistische omgeving. Paradoxaal genoeg is de film zelf een toonbeeld van vormvernieuwing en doorgedreven modernisme.Jean-Pierre Melville verbluft met het hypergestileerde, bijna abstracte Le samouraï. De film noir met Alain Delon als eenzame, kille huurmoordenaar die de eer aan zichzelf houdt, beïnvloedde Quentin Tarantino, Michael Mann en, dichter bij huis, Michaël Roskam. Michelangelo Antonioni vindt zichzelf opnieuw uit in zijn eerste Engelstalige film: Blow-Up. Het hoofdpersonage is een glamourfotograaf (David Hemmings). Dat staat de Italiaanse maestro van het modernisme en de bevreemding toe om alles wat van Swinging London destijds een begrip maakte in beeld te brengen: de feesten, de concerten, de glamour, de droomvrouwen (Vanessa Redgrave, Jane Birkin, supermodel Veruschka). Flarden vrouwelijk naakt, schaamhaar en vrije liefde vallen op. Intellectuelen discussiëren over de kenbaarheid van de realiteit en de enigmatische eindscène waarin de fotograaf de imaginaire tennisbal van jonge mimespelers opraapt. Soms zien we wat er niet is. Soms ziet iemand ook wat er nóg niet is, maar wel op ons afkomt. Jean-Luc Godard bijvoorbeeld: met La chinoise voorvoelt hij dat 1968 het jaar van radicalisering en revolte zal worden. De rood gekleurde, warrige film volgt vijf maoïstische jongeren die proberen te leven zoals Grote Roerganger Mao Zedong het voorschrijft. Het personage van Anne Wiazemsky, die tijdens de Summer of Love met Godard trouwt, komt na oeverloze discussies over de Culturele Revolutie tot de conclusie dat het tijd is om het saloncommunisme te begraven en over te gaan tot gewelddadige actie. Met La chinoise kantelt Godards carrière. De kapitein van de nouvelle vague is uitgekeken op de speelse deconstructie van klassieke genres en vervelt van grote cinefiel tot verwoede polemist. Ondertussen blijft zijn nouvelle vague wel filmmakers uit alle windstreken opslorpen. In Tokio zet Seijun Suzuki de boel op stelten met provocerende, politieke popartfilms. 1967 is het jaar van Branded to Kill. De visueel onnavolgbare, anarchistische en sarcastische gangsterfilm is een uiting van de broeiende Japanse tegencultuur. Nikkatsu Studio kan de excentriciteit (en het gebrek aan succes) niet pruimen en gooit Suzuki op straat. Voor Tarantino, Jarmusch en Nicolas Winding Refn zal de beeldenstormer een voorbeeld worden. Hollywood heeft de boot van de vernieuwing glansrijk gemist, maar niet iedereen in de VS is ongevoelig voor verandering, doof voor de jeugd en blind voor de opmars van de tegencultuur. Roger Corman, de voorman van de Amerikaanse cultcinema, beleeft hoogdagen. Hij geniet na van het grote succes van The Wild Angels (1966), de moeder aller bikerfilms met Nancy Sinatra als motorbabe en Peter Fonda als anarchistische Hell's Angel. Drie jaar voor het roemruchte Easy Rider! Corman krijgt navolging in 1967. In de brutale, psychedelische bikerfilm Hell's Angels on Wheels gaat een pompbediende (de piepjonge Jack Nicholson) op avontuur met de notoire motorbende. De film voert zowaar even de box office aan. De opmars van de tegencultuur is niet te stuiten. Corman zelf duikt enthousiast onder in de hippiecultuur. Samen met Dennis Hopper, Peter Fonda en Jack Nicholson experimenteert hij met lsd om van The Trip een authentieke trip te maken. Fonda speelt een reclameregisseur die in de put zit maar dankzij de drug een heel nieuwe wereld ontdekt en verkent. Vandaag komen de hallucinaties vrij verward en soms knullig over, maar destijds was het precies wat veel Amerikanen wilden zien. De timing was perfect. The Trip landt in de zalen tijdens de piek van de Summer of Love. Andere films die de hippiecultuur aan de borst drukten waren er amper. Het dichtst in de buurt komt D.A. Pennebaker. Dat is de man van de direct cinema, de stijl die van de documaker vraagt om zichzelf weg te cijferen en de werkelijkheid direct en onverbloemd weer te geven. Pennebaker vindt in 1967 de rockumentary uit. Zijn Don't Look Back is een intiem portret van Bob Dylan tijdens zijn beruchte Engelse tournee van 1965 en geldt nog steeds als een van de strafste muziekdocu's. De regisseur neemt in 1967 zijn camera ook mee naar Monterey Pop, een muziekfestival dat beschouwd wordt als de start van de Summer of Love. De organisatoren laten voor de bloemenkinderen 150.000 orchideeën uit Hawaï overkomen en pakken uit met een indrukwekkende line-up: The Who, The Mamas and The Papas, Jefferson Airplane, Grateful Dead, Simon & Garfunkel, Janis Joplin, Scott McKenzie en een verbluffende Jimi Hendrix. Indrukwekkender dan Woodstock, het legendarische festival dat twee jaar louter zal plaatsvinden. Check Pennebakers concertfilm Monterey Pop als u dat niet gelooft, of erbij had willen zijn. Het broeit in de marge en de niche, maar het mooie aan 1967 is dat het grote publiek de vernieuwing genegen is. De box office is het beste bewijs dat Amerika de klassieke Hollywoodfilm beu is en nieuwe, straffe cinema wil zien. Aan de vergelijking met de kassuccessen van vandaag hou je een depressie over. In 1967 torenden niet Beauty and the Beast, Guardians of the Galaxy 2 en Fast & Furious 8 boven de rest uit, wel de spaghettiwesterns van Sergio Leone, The Jungle Book, The Dirty Dozen, In the Heat of the Night, Bonnie and Clyde, Cool Hand Luke, Guess Who's Coming to Dinner en The Graduate. Lukt het nog om níét nostalgisch te worden? Guess Who's Coming to Dinner komt intussen gedateerd, belerend en preuts over (Sidney Poitier komt niet verder dan een zedige zoen), maar heeft de verdienste dat het racisme aankaartte toen dat nog ongemoeid werd gelaten. Hollywoods koningskoppel Katharine Hepburn en Spencer Tracy speelt een weldenkend blank koppel dat het er moeilijk mee heeft dat hun dochter met een zwarte verloofde (Poitier) over de vloer komt. In In the Heat of the Night speelt dezelfde Poitier een coole speurder die zich tijdens een moordzaak in het diepe Zuiden niet laat tegenhouden door grof racisme en gewoon zelf uithaalt wanneer een blanke hem slaat. Dat werd ooit schokkend bevonden. De populariteit van en het aantal awards voor beide films bewijzen het ongelijk van bang Hollywood: het publiek is wél klaar voor films die ongelijkheid durven aan te kaarten. The Dirty Dozen, het verhaal van ter dood veroordeelde misdadigers die gerekruteerd worden voor een levensgevaarlijke oorlogsmissie, is bijlange niet de eerste Amerikaanse film over WO II, maar Robert Aldrich (regie) en Lee Marvin (de bikkelharde filmster) verbazen door de gruwel en de lelijkheid van de oorlog brutaal uit te beelden én door de militaire top af te schilderen als cynici zonder respect voor het leven van de soldaten. Daar hadden de vele mensen met een groeiende hekel aan de oorlog in Vietnam wel oren naar. Aldrich gaf evenwel toe dat het zo niet bedoeld was (de film werd in 1965 al gepland). 'We surften mee op een golf waarvan we niet wisten dat ze eraan kwam.' Na The Dirty Dozen verdonkerde en verbitterde de oorlogsfilm. Cool Hand Luke is nog feller gekant tegen het establishment en is eveneens een hit. Paul Newman schittert in dit stoere gevangenisdrama als de laconieke rebel die zich door niets of niemand laat knechten, een afkeer heeft van regels en dus in opstand komt tegen het onmenselijke gevangenisregime. De jeugd heeft er een idool bij. Brutaal geweld en antiautoritair sentiment zijn ook de troeven van Bonnie and Clyde. De lyrische misdaadballade is controversieel maar erg populair. Acht weken lang voert de film de box office aan. Warren Beatty en Faye Dunaway spelen Clyde Barrow en Bonnie Parker, hopeloos verliefde minnaars die in het door de depressie uitgeholde Amerika van de jaren dertig banken overvallen en spotten met de arm der wet. Het aantrekkelijke outlawkoppel doet het meer voor de kick, de roem en het avontuur dan voor het geld, maar betaalt een zware tol. In de ontluisterende slotscène worden de geliefden doorzeefd door ratelende tommyguns. In slow motion doorboren kogels Clydes schedel. Niet alleen het realistische geweld maakt school. Ook de ingenieuze visuele stijl valt op: de vinnige montage, het snedige tempo, de beweeglijke cameravoering en de toonwissels. Regisseur Arthur Penn pikt in op de vernieuwingen van de nouvelle vague en de bijbehorende vrijheid voor de regisseur. Later dat jaar krijgt Bonnie and Clyde het gezelschap van nog een film in een moderne stijl die zich cynisch afzet tegen de gevestigde orde en de vanzelfsprekendheid van een burgerlijk bestaan: The Graduate. Elke studio had er zijn neus voor opgehaald. Een flater van formaat, want het publiek is wild van de film van Mike Nichols. Debutant Dustin Hoffman imponeert als de pas afgestudeerde jongeling die verleid wordt door de moeder (Anne Bancroft) van zijn vriendin. 'Mrs. Robinson, you're trying to seduce me. Aren't you?' werd een van de bekendste vragen uit de filmgeschiedenis en ook de muziek van Simon & Garfunkel bleek tijdloos. Hoffmans youngster is een weifelaar maar achterhaalt uiteindelijk wat hij niet wil: het lege, vervelende, materialistische, burgerlijke bestaan van de vorige generatie. Zowel Bonnie and Clyde als The Graduate breekt resoluut met de productiemethodes, de gedateerde stijl, de verroeste moraal en de vaste waarden van de klassieke Hollywoodproducties. Dat het publiek zich massaal achter beide films schaart, overtuigt Hollywood om een nieuwe generatie regisseurs, acteurs, scenaristen en producers een kans te geven. 1967 is een sleuteljaar voor de film omdat het een nieuw tijdperk inluidt: dat van New Hollywood. Voortaan is het aan Robert Altman, Michael Cimino, Francis Ford Coppola, Brian De Palma, William Friedkin, Terrence Malick, Roman Polanski, Martin Scorsese en Steven Spielberg. Samen schrijven ze een van de mooiste en spannendste hoofdstukken uit de rijke Amerikaanse filmgeschiedenis. De muziekfans maken in 1967 het beste mee, voor de filmfans is het op komst.