The Candidate (Michael Ritchie, 1972)

Redford outte zich voor het eerst als 'liberal' met deze kritische kijk op de machinaties achter een politieke kiescampagne. Zijn rol: die van een jonge, naiëve advocaat die door zijn spindoctors de politieke arena wordt ingejaagd maar gauw genoeg ondervindt dat idealisme en integriteit zware ballast zijn als je het tot senator van Californië wil schoppen. Indertijd beschouwd als venijnige politieke satire; anno 2007 een akelig accurate beschrijving van ideologische uitverkoop en corruptie.
...

Redford outte zich voor het eerst als 'liberal' met deze kritische kijk op de machinaties achter een politieke kiescampagne. Zijn rol: die van een jonge, naiëve advocaat die door zijn spindoctors de politieke arena wordt ingejaagd maar gauw genoeg ondervindt dat idealisme en integriteit zware ballast zijn als je het tot senator van Californië wil schoppen. Indertijd beschouwd als venijnige politieke satire; anno 2007 een akelig accurate beschrijving van ideologische uitverkoop en corruptie. Lang voor Angelina en weeskinderen, Diana en landmijnen en Bono en Afrika, trok Robert Redford zich al de milieuvervuiling aan. Zijn favoriete film is dan ook deze ecologische western van Sydney Pollack (met wie hij zeven films maakte), waarin hij een eigenwijze idealist neerzet die zijn soldatenplunje aflegt en de eenzame bergen van Utah intrekt. Een deel van deze wildernisfabel werd trouwens opgenomen in Redfords woonplaats Sundance - een voormalig skioord dat vroeger Timp Haven heette, maar speciaal werd hernoemd naar zijn rol als The Sundance Kid. In 1978 richtte hij er ook het Sundance Film Institute en het gelijknamige filmfestival op, sindsdien de jaarlijkse hoogmis voor de Amerikaanse onafhankelijke cinema. In Pollacks paranoïde post-Watergatethriller, die Paul Greengrass tot de twee sequels uit de Bourne-franchise inspireerde, speelt Redford de rol van een CIA-researcher die op zekere dag broodjes gaat halen, maar bij zijn terugkeer zijn collega's dood terugvindt. Wat volgt, is een klamme, strak geregisseerde achtervolgingsfantasie waarin de romance met Faye Dunaway gelukkig volledig overschaduwd wordt door de verwijzingen naar het Nixontijdperk, clandestiene CIA-complotten en de trauma's van Vietnam. De ultieme kantoorthriller van regisseur Alan J. Pakula en superscenarist Bill Goldman is een verfilming van de bestseller van Bob Woodward (Redford) en Carl Bernstein (Dustin Hoffman), de twee onderzoeksjournalisten van The Washington Post die in 1972 de Watergate-affaire aan het licht brachten en daarmee president Nixon het nekschot toedienden. Leidraad in deze broeierige reflectie over journalistieke deontologie en politieke powerplay is de zoektocht naar de mysterieuze tipgever Deep Throat (FBI-onderdirecteur Mark Felt, zo kwam in 2005 aan het licht) waarbij de suspense niet uit achtervolgingen of schietpartijen wordt gepuurd, maar uit interviews, telefoongesprekken en ongemakkelijke stiltes. Redford richt zijn pijlen op corporateAmerica in deze bescheiden parabel naar de roman van John Nichols over Amerika's culturele en natuurlijke erfenis én de rechten van de mens versus die van de dollar. Plaats van het kapitalistische onheil is landelijk New Mexico, waar een sjofele boer weigert zijn lapje grond te verkopen aan projectontwikkelaars, met als gevolg: een bucolisch duel tussen indianenliederen zingende natives en milieuactivisten aan de ene kant, en aasgieren en golfende managers aan de andere kant. In zijn beste film als regisseur richt Redford zijn blik op een van de beroemdste Amerikaanse televisieschandalen uit de jaren 50. Antiheld met dienst is Charles Van Doren (een heerlijk gluiperige Ralph Fiennes); de charmante ster van de populaire NBC-quiz Twenty One die de overwinningen aan elkaar rijgt, maar uiteindelijk wordt ontmaskerd als een ordinaire bedrieger die de antwoorden op voorhand doorgespeeld krijgt. Een subtiele, nostalgische kritiek op de Amerikaanse Droom, haar verdoken klassenmaatschappij, haar verblindende vedettencultus en haar hypocriete moraal. (D.M.)