erica kennedy
...

erica kennedy vassallucci, 400 blz., a 19,50 Is het niet zo dat de Amerikaanse burgerrechtenbeweging finaal haar slag zou slaan als de zwarte medemens het recht verworven heeft om net als zijn blanke broeder middelmatig te zijn? Welaan dan, een stevig aan de gospel ontleende 'Hallelujah!', want de recente overload aan hiphopromans bewijst dat zwarte auteurs de kans krijgen om datgene te doen wat voor blanke schrijvers onderwijl routine is geworden: triviale literaire onzin uitkramen. Bling van Erica Kennedy vertelt het voorspelbare Assepoesterverhaal van Marie Jean Castiglione, een lief meisje uit een klein stadje dat zich met de hulp van de Puff Diddy-achtige ondernemer Lamont Jackson laat omturnen tot de hiphopdiva Mimi Jean. 'Pygmalion' met zwarte mensen dus, en met geweerschoten. Als hiphopster moet Mimi van Jackson street credibility vergaren, maar zelf wil ze eigenlijk liever soulzangeres worden, in de stijl van haar grote voorbeeld Aretha Franklin. Het klinkt stom, en dat is het ook. Gedrapeerd in merknamen en designer kleren, geperfectioneerd met platinum tanden en valse tieten, en vergezeld door idolen die regelmatig de roddelcolumn van de New York Post halen, is Mimi vanzelfsprekend een weerloze prooi. Kennedy heeft als gewezen entertainmentjournaliste inzicht in de hiphopwereld die ze hier verkent - ze is de doopmeter van het dochtertje van hiphopmogol Russell Simmons - en lijkt met haar boek een insider's satire in de traditie van Truman Capote voor ogen te hebben. Maar in tegenstelling tot Capote, die hypocrisie van een kilometer afstand kon ruiken en ook lyrisch kon beschrijven, lijkt Kennedy net iets te verblind door de levensstijl die ze zou willen hekelen. Bovendien verkiest ze het catalogeren boven het beschrijven en benoemt ze de kenmerken en emoties van haar personages op dezelfde monotone toon waarmee ze ook merknamen, sportauto's en de popsterren opsomt. Zoals elke goede journaliste is Kennedy geïnteresseerd in de feiten, en haar achtergrond verleent haar de nodige autoriteit om met kennis van zaken te schrijven, maar uiteindelijk is deze roman niet meer dan de uitverkoop van een verzameling korte, afgescheiden momentopnames, die op geen enkel moment naar een afgelijnd geheel neigen. Hier en daar krijgen we wel een inzicht in de prijs van de roem en de waarde van loyauteit, maar niet meer dan herkenbaar en nergens met de emotionele weerklank die de personages of het boek ontwapenend zou kunnen maken. Nee, als het dan tóch journalistiek moet zijn, dan liever Can't Stop Won't Stop (zie bespreking). Hans Comijn