Julianne Moore,Mark Ruffalo,Gael Garcia BernalDat sommige boeken terecht het predicaat 'onverfilmbaar' opgekleefd krijgen, wordt nog maar eens bewezen met deze allegorisch bedoelde, maar bij vlagen ongewild naar farce neigende fabel naar de bestseller van de Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago. Daarin krijg je te zien - een paradox die de makers kennelijk grotendeels is ontgaan - hoe de hele mensheid langzaam blind wordt, met uitzondering van een modale, naamloze doktersvrouw. Zij bewaart als enige haar zicht en moet haar naasten tegen wil en dank door de helse beproevingen zien te gidsen.

Wat begint als een dystopische thriller over een mysterieuze oogziekte met pandemische proporties muteert gaandeweg tot een Lord of the Flies-achtige allegorie over de wraakzuchtige aard van het menselijke beestje. Maar dan op zo'n opzichtige, arty farty manier dat het geheel volstrekt schizofreen oogt en geen moment aangrijpend wordt, zelfs niet in die ene, veelbesproken groepsverkrachtingsscène die de bestiale natuur van de mens moet illustreren.

In plaats van te opteren voor een uitgepuurde en realistische stijl à la Children of Men, pakt Fernando Meirelles - nochtans de maker van Cidade de Deus en The Constant Gardener - uit met een overbelichte designlook en glaciale grootstadsdecors om Saramago's 'witte ziekte' een filmische invulling te geven. Dat de hele prent voorbijtrekt als een hyperafstandelijke, lang uitgesponnen non-muziekvideo - alsof Camus in een MTV-jasje gestoken wordt - zal u dus niet verbazen.

Bovendien wordt Meirelles al evenmin vooruit geholpen door zijn wisselvallig acterende cast. Een blond gebleekte Julianne Moore - kampioene der getormenteerde huisvrouwen - weet als de beproefde dokterseega tenminste nog een paar gram dramatiek te evoceren, maar blinde echtgenoot Mark Ruffalo staat zo geconcentreerd de melkwitte leegte in te staren dat het bij momenten een Stevie Wonder-parodie lijkt.

Bovendien weten ook de andere, 'blind acterende' acteurs zich te midden van de apocalyptische horreurs nauwelijks een houding te geven. Schrik niet wanneer de scènes in het Danteske quarantainekamp - waar de blinden door een fascistoïde regering worden samengedreven en aan hun lot overgelaten - uiteindelijk meer weg hebben van grotesk roep- en schreeuwtheater dan van een geloofwaardige kijk op misbruik, ontbering en het wegvallen van de sociale orde.

Anders gezegd: Meirelles heeft vooral oog - vergeef ons de flauwe woordspeling - voor het narratieve en stilistische bovenlaagje van Saramago's roman. Hij reduceert diens existentialistische parabel tot een pompeuze zombiefilm zonder zombies, maar mét een overdosis kleurenfilters, breed uitgesmeerde gestes, rondwaggelende karikaturen, opdringerige muziekjes en strak ontworpen gruweldecors. Wel één goeie grap genoteerd: het moment waarop de blinden vrijwilligers trachten te ronselen door hen te vragen hun hand op te steken.

Dave Mestdach