HAN BENNINK: Mijn vader was percussionist in het radio-orkest van Hilversum en ik heb het drumvirus van hem geërfd. Als jonge knaap kreeg ik van hem Tiger Rag door Louis Armstrong en zijn All Stars, met die lange drumsolo van Big Sid Catlett. Wat vond ik dat goed!
...

HAN BENNINK: Mijn vader was percussionist in het radio-orkest van Hilversum en ik heb het drumvirus van hem geërfd. Als jonge knaap kreeg ik van hem Tiger Rag door Louis Armstrong en zijn All Stars, met die lange drumsolo van Big Sid Catlett. Wat vond ik dat goed! BENNINK: Ja, natuurlijk. Daar moet je het toch van hebben? BENNINK: Ach, avant-garde... Dat is toch ook maar een naam? Ik vind mezelf helemaal niet avant-gardistisch. Ja, ik heb gespeeld met Peter Brötzmann, Cecil Taylor en dat soort kerels, maar tezelfdertijd ook met Sonny Rollins of met oncle René Thomas. Als er fijne muziek van komt, speel ik gewoon mee. BENNINK: Ze zijn allebei vijftien jaar jonger dan mijn kinderen. (lacht) Ik ontmoette hen tijdens een workshop in Canada. Allemaal on-waar-schijn-lijk talentvolle jonkies die daaraan deelnamen, maar die twee profileerden zich. Zij kiezen een niet zo voor de hand liggend parcours en dat vind ik mooi. Ik hoef ook heel weinig aan ze uit te leggen. Het leuke van dit trio is dat er nooit één solist is. Er is ontzettend veel samenspel. Ik breng gewoon wat sentimentele deuntjes mee en we gaan ermee aan de slag. BENNINK: Uiteindelijk hoop ik de sterren van de hemel te spelen met enkel een luciferdoosje waarin twee halfverbrande lucifers zitten. Dus ik heb nog een heel lange weg te gaan. BENNINK: Waarom zou ik dat doen? Daar heb ik geen tijd meer voor. Het graf gaapt, jongen. Ik weet alleen dat ik nog 1000 exemplaren van die doos moet gaan signeren. BENNINK: Bobbejaan Schoepen! Maar daarvoor is het te laat. FREDERIK GOOSSENS