Sonny Rollins

Tenorist Sonny Rollins was begin de jaren vijftig een los-vaste kompaan van Miles Davis. Voor Davis' elpee Bags Groove leverde hij drie composities die later standards zouden worden: Airegin, Doxy en Oleo. De man introduceerde ook nog eens bebop in een walsmaat ( Valse Hot) en calypso (St. Thomas) in de jazz, maar kon moeilijk leven met zijn eigen tekortkomingen en (vooral) die van zijn muzikanten. In 1959 ging hij met prepensioen, maar intussen heeft hij zich gelukkig bedacht. Catch him while you can.
...

Tenorist Sonny Rollins was begin de jaren vijftig een los-vaste kompaan van Miles Davis. Voor Davis' elpee Bags Groove leverde hij drie composities die later standards zouden worden: Airegin, Doxy en Oleo. De man introduceerde ook nog eens bebop in een walsmaat ( Valse Hot) en calypso (St. Thomas) in de jazz, maar kon moeilijk leven met zijn eigen tekortkomingen en (vooral) die van zijn muzikanten. In 1959 ging hij met prepensioen, maar intussen heeft hij zich gelukkig bedacht. Catch him while you can. De ene noemt hem de James Dean van de jazz, Miles Davis noemde hem een incompetente lul. Feit blijft dat weinigen jazz bij zo'n groot publiek brachten als Baker. Zijn versie van cool jazz, West Coast, werd een soundtrack bij het zonnige leven in het LA van de jaren vijftig. Baker werd weggehoond door de collega's in New York, verviel in vocale suikerjazz en verlamde zijn carrière met dope, maar zijn vroege opnames met Gerry Mulligan blijven de moeite waard. Het is altijd lachen wanneer jazzcombo's op trouwerijen en partijtjes Take Five van pianist Dave Brubeck en saxofonist Paul Desmond inzetten. Iedereen kent de instrumental, het tempo slaat in de benen, maar het nummer is volstrekt ondansbaar, tenzij u vlotte passen kunt bedenken in vijf vierden. De klassieker uit 1959 was de eerste jazzinstrumental waarvan één miljoen exemplaren werden verkocht. Gevorderden mogen ook eens proberen te swingen op Blue Rondo à la Turk, in negen achtsten. Het was tijd voor iets anders, vond trompettist Miles Davis. Hij had het gehad met de bebop aan de zijde van saxofonist Charlie Parker, van het oeverloze gesoleer, van de opgefokte kijk-eens-mama-zonder-handen- mentaliteit. Aan de vooravond van het nieuwe, naoorlogse decennium was het tijd voor een schone lei. Davis trok naar Parijs, leerde er Picasso en Sartre kennen, had een romance met Juliette Gréco en voelde zich als zwarte voor één keer een mens tussen de mensen. Op zijn 23e was het tijd om te breken met de virtuositeit en te kiezen voor introspectie en melodie. Eens terug in New York trok hij naar de flat van arrangeur Gil Evans, op zoek naar een vehikel om zijn nieuwe stijl uit te breiden. Het werd een nonet met niet-traditionele instrumenten als tuba en hoorn. De afgeknepen, frisse, subtiele stijl zou cool jazz gaan heten. Al snel zou het genre opgepikt worden door muzikanten aan de Amerikaanse westkust, zoals Chet Baker, en zat er een kwalijke reuk van commercialiteit en zonnemelk aan. Wie naar de oorspronkelijke Birth of the Cool van Davis luistert, weet beter. De negenkoppige band had maar één betaalde opdracht gehad: één week in september 1948 om de pauzes tijdens de concerten van Count Basie in de Royal Roost op te vullen. Genoeg voor Capitol Records om de groep eind 1949, begin 1950 in de studio te stoppen. Drie opnamesessies, verspreid over een jaar, leverden een dozijn composities op. Commercieel was het een fiasco, maar de plaat zou de koers van de jazz veranderen: toegankelijk, gelaagd, uitdagend, zalvend. ' For me, music and life are all about style', aldus Davis. De man die in zijn kinderjaren plagend 'Pretty' werd genoemd, werd icoon van New Yorkse cool: stijlvolle kleren, een arrogante houding en een sound waarmee je iedereen in je bed krijgt. Achter de ingetogen muziek school een man met een bijverdienste als pooier en zware heroïneverslaving. Tussen 1949 en 1953 verdween Davis zo goed als uit het openbare leven, en trad sporadisch op om zijn shots te kunnen financieren. De schaarse opnamen uit die tijd ( Birdland 1951, bijvoorbeeld) laten een man horen die wegvlucht van zijn eigen reputatie. Met een reeks hardbop-platen - een snellere, agressievere vorm van bebop - distantieerde hij zich van de cool die hij zelf had uitgevonden. Zo zou het in de loop van zijn carrière steeds opnieuw gaan: een rusteloze natuur die om de vijf jaar zichzelf - of Sartre indachtig: de anderen - beu was en op zoek ging naar iets nieuws. Cool. Hardbop. Modale jazz. Fusion. 'Trek van de natuur de vorm af, en je houdt stijl over', zei avant-gardekunstenaar Theo Van Doesburg ooit. Hij had het net zo goed over Miles Davis kunnen hebben. Door Bart Cornand