Mensen zijn mieren. Althans, volgens evolutiebiologen vallen ze in dezelfde categorie van 'ecosysteemingenieurs', een recente term waarmee ruwweg gedoeld wordt op organismen die hun eigen ecosystemen uitbouwen. Zo zit een mierennest bijzonder complex in elkaar: het omvat broedkamers, voorraadschuren, aanvoerlijnen die over de hele omgeving uitwaaieren, bewakingspatrouilles, een ziekenboeg, en het lijkt verdraaid veel op een mensenstad.
...

Mensen zijn mieren. Althans, volgens evolutiebiologen vallen ze in dezelfde categorie van 'ecosysteemingenieurs', een recente term waarmee ruwweg gedoeld wordt op organismen die hun eigen ecosystemen uitbouwen. Zo zit een mierennest bijzonder complex in elkaar: het omvat broedkamers, voorraadschuren, aanvoerlijnen die over de hele omgeving uitwaaieren, bewakingspatrouilles, een ziekenboeg, en het lijkt verdraaid veel op een mensenstad. Volgens bioloog Menno Schilthuizen is er dan ook geen wezenlijk verschil: onze steden zijn onze nesten en hoe graag we 'de mens' ook van 'de natuur' scheiden, we blijven zoogdieren die in evolutionair opzicht gewoon bijzonder succesvol zijn. Het gangbare idee is dat de toenemende urbanisatie de 'echte natuur' verdrijft, maar niets is minder waar in zijn ogen: steden vormen uitdagende biotopen, waaraan heel wat dieren zich hebben aangepast. In zijn boek Darwin in de stad reikt Schilthuizen talloze voorbeelden aan van zulke succesvolle adaptaties. Sommige diersoorten zijn daarbij tot verbluffende kunstjes in staat, vaak tot ergernis van stadsbewoners. Zo werd eind jaren veertig in de Engelse steden een ware veldslag uitgevochten tussen melkboeren en mezen. De vernuftige vogeltjes slaagden erin de doppen van de flessen te wippen zodat ze van de room konden snoepen. Elk nieuw sluitsysteem werd gecounterd door nieuwe kraaktactieken. Of wat te denken van de meervallen die in een Frans stadje op duiven jagen? Ze gooien zich Jaws-gewijs op de 'kust' van een duivendrinkplaats en sleuren de vogels mee onder water, waar hen de verdrinkingsdood wacht. Opzienbarend, want in zijn 'natuurlijke habitat' zou een meerval nooit zo'n huzarenstukje bedenken, temeer omdat vogels niet op zijn traditionele dieet staan. Op zijn beurt moet de meerval zelf weer opletten: hij werd door mensen in de stadsrivier uitgezet om zondagsvissers te plezieren. Schilthuizen stelt interessante vragen. Hoe werken steden in op natuurlijke selectie? Geven de mezen hun kraaktechnieken via de genen door of leren ze elkaar dat vandalisme aan? En omgekeerd, heeft het stadsleven een impact op onze evolutie? Zoals het een wetenschapper betaamt, is hij voorzichtig met overhaaste conclusies en elke bewering wordt zorgvuldig gestaafd met een batterij aan experimenten. Zijn notenapparaat beslaat ook meer dan vijftig pagina's maar nergens verliest hij de leek uit het oog. Schilthuizen neemt je mee op een boeiende stadswandeling en laat zien dat beton en groen elkaar absoluut niet uitsluiten. Na Darwin in de stad zul je nooit meer onbevangen door de straten kuieren. De natuur loert altijd om de hoek.