Robert Beck loopt tegen de veertig én dus tegen een midlifecrisis aan. Ooit wilde hij muzikant worden maar gebrek aan talent heeft hem richting het onderwijs geduwd, waar hij verveelde tieners probeert diets te maken dat REM een kutband is. Verder zijn er een pover liefdesleven en gênante clubavonden met zijn junkievriend Charlie - veertigers die tegen jonge grieten aanschurken op de dansvloer, veel meelijwekkender moet het niet worden. Tot Beck in zijn klas Rauli Kantas ontdekt: de mysterieuze Litouwer blijkt een muzikaal genie, een natuurtalent Jimi Hendrix waardig. Beck ruikt zijn kans - wat als hij manager zou worden van Rauli? - en is bere...

Robert Beck loopt tegen de veertig én dus tegen een midlifecrisis aan. Ooit wilde hij muzikant worden maar gebrek aan talent heeft hem richting het onderwijs geduwd, waar hij verveelde tieners probeert diets te maken dat REM een kutband is. Verder zijn er een pover liefdesleven en gênante clubavonden met zijn junkievriend Charlie - veertigers die tegen jonge grieten aanschurken op de dansvloer, veel meelijwekkender moet het niet worden. Tot Beck in zijn klas Rauli Kantas ontdekt: de mysterieuze Litouwer blijkt een muzikaal genie, een natuurtalent Jimi Hendrix waardig. Beck ruikt zijn kans - wat als hij manager zou worden van Rauli? - en is bereid daar geld en leugens in te pompen. Alleen blijkt Rauli lijper dan hij doet uitschijnen - een beetje rockster in wording moet ook mythomaan zijn, toch? De klassieke meester-leerlingverhouding zou psychologisch vuurwerk kunnen opleveren, maar de jonge bestsellerauteur Benedict Wells weet in zijn debuut weinig raad met zijn uitgangspunt. Veel verder dan cartooneske omschrijvingen raakt hij niet. Zo moet Beck zich letterlijk aan een deurpost vastklampen als Rauli een Stratocaster aanslaat en belichaamt Beck zowat elk cliché van een singleveertiger - lege pizzadozen, wodka en een Audi. Halverwege zijn voortkabbelende roman duwt Wells dan plots op het gaspedaal. Om de een of andere duistere reden moet er een roadtrip gemaakt worden en die eindigt in spectaculaire achtervolgingen en schietpartijen. Knullig, temeer omdat Wells zo omstandig schrijft: er wordt eindeloos veel op deurbellen gedrukt, auto's moeten in de eerste versnelling worden gezet alvorens ze kunnen vertrekken en op regelmatige basis dient er gegeten te worden. Alsof lezers niet weten hoe deuren en auto's werken, alsof personages tamagotchi's zijn die je als auteur moet voederen om te vermijden dat ze doodvallen. Voor de zekerheid nam ik er Wells' doorbraakroman bij, Het einde van de eenzaamheid, die dankzij een vermelding in De wereld draait door meer dan tachtigduizend keer over de toonbank ging. Een tranentrekkend verhaal over drie wezen is het, behaagzuchtig geschreven, en ook daarin worstelen de melige personages met deuren en versnellingen. Ook pijnlijk: Wells heeft zijn verhaallijnen gerecycleerd - opnieuw komt de muziekbusiness prominent aan bod, en opnieuw wordt een lsd-trip als deus ex machina misbruikt. Het staat uitgeverijen en schrijvers natuurlijk vrij om pulp op de markt te brengen - er moet tenslotte brood op de plank komen - maar laat ons lectuur niet verwarren met literatuur. Een goede roman is een kunstwerk dat uitdaagt en bevraagt, dat knarst en knaagt, en de lezer een taalwereld aanreikt die nieuwe deuren in zijn brein opent. Zonder te kloppen dan.