Twee weken reisde de Frans-Amerikaanse schrijver Jonathan Littell clandestien door Syrië. Twee weken lang hield hij nauwgezet een dagboek bij. Routineus noteerde hij iedere ontmoeting, ieder gesprek, iedere discussie, ieder gevecht. In telegramstijl, kort, krachtig, zoals een mens wat hij ziet en meemaakt opschrijft om het nooit meer te vergeten. Maar hoe dieper Littell in de systematische gruwel en folterpraktijken van het Syrische regime doordrong, hoe pijnlijk duidelijker het hem werd dat wat hij daar zag en noteerde in zijn brute vorm door de wereld gezien moest worden. Net zoals de telefoons ...

Twee weken reisde de Frans-Amerikaanse schrijver Jonathan Littell clandestien door Syrië. Twee weken lang hield hij nauwgezet een dagboek bij. Routineus noteerde hij iedere ontmoeting, ieder gesprek, iedere discussie, ieder gevecht. In telegramstijl, kort, krachtig, zoals een mens wat hij ziet en meemaakt opschrijft om het nooit meer te vergeten. Maar hoe dieper Littell in de systematische gruwel en folterpraktijken van het Syrische regime doordrong, hoe pijnlijk duidelijker het hem werd dat wat hij daar zag en noteerde in zijn brute vorm door de wereld gezien moest worden. Net zoals de telefoons van de Syriërs in en rond Homs 'musea van de gruwel zijn', werden zijn notities steeds meer een directe getuigenis van de waanzin van een door houtwormen en termieten aangevreten regime. Ergens in het begin van zijn dagboek - in tijden waarin de kogels nog niet permanent rond zijn oren vlogen en granaatinslagen nog niet het gewone geluid van de dag vormden - analyseert hij wat nu in Syrië gebeurt als de scheiding van een siamese tweeling die met alle vitale organen aan elkaar hangt, en waarvan er een tijdens de operatie zal sterven. Nu de tegenstroom zich heeft losgerukt van de zogenaamd reguliere samenleving wordt het steeds duidelijker dat de opstand pas stopt als een van de twee totaal vernietigd is. Littell en de fotograaf Raed reisden met behulp van het Vrije Syrische Leger (dat voornamelijk uit deserteurs van het Assad-getrouwe leger bestaat) van Libanon naar Homs, waar hij weer vertrok enkele dagen voordat Assad besloot de opstand daar op extreem bloederige wijze de nek om te wringen. 'Iedereen heeft hier wel een verhaal,' schrijft Littell, 'iedereen een litteken om dat verhaal te bevestigen.' Het moeilijkste blijkt om echt van verzinsel en gegronde angst van paranoia te onderscheiden. Zelfs binnen het Vrije Syrische Leger is niet iedereen zo opgezet met de aanwezigheid van Littell en zijn fotograaf. Het Westen doet niet genoeg, sommigen pleiten zelfs voor een algemene jihad. Hoe langer de opstand in Syrië duurt, hoe groter de kans op radicalisering. Hoe langer de opstand duurt, hoe hoger ook de tol voor de burgers. Een van de meest schokkende getuigenissen, die Littell letterlijk noteert, is dat van de arts Abu Sahlim. Hij vertelt hoe mishandeling en foltering niet stoppen aan de deur van het ziekenhuis, maar gewoon doorgaan. Op het nachtkastje naast een man die binnengebracht werd met schotwonden in de buik, vond de dokter een elektrische kabel met klem en rubberen repen. Een man die 's ochtends enkel een gebroken been heeft, heeft 's avonds ook een fatale schedelbreuk. 'Het ergste van al,' schrijft Littell in zijn nawoord, 'is dat dit een momentopname is. Ik weet dat het alleen maar erger wordt.' Dit is niet zomaar een boek, het is bittere noodzaak. Jonathan Littell, Arbeiderspers (originele titel: Carnets de Homs), 192 blz., euro19,95. TINE HENSSLEUTELZIN Een meisje van zes krijgt een kogel in het been. Ze weent. 'Oompje, ik ben nooit naar een betoging geweest.'