'Na tweeëntwintig jaren in dit leven...' Het was niet enkel het cijfer dat wrong toen minister van Media Geert Bourgeois op het einde van een aflevering Zo Is Er Maar Eén enkele regels uit Testament van Boudewijn De Groot kwam zingen. Bourgeois liet zich vroeger vaak misprijzend uit over collega's die in allerlei lichtere tv-programma's opdraafden, omdat ze zo volgens hem het sérieux van de politieke professie aantasten. Sinds hij een ministerpost bekleedt, is hij veel minder vies van wat gratis reclame. Het enige wat Bourgeois nog onderscheidt van de politici die hij voo...

'Na tweeëntwintig jaren in dit leven...' Het was niet enkel het cijfer dat wrong toen minister van Media Geert Bourgeois op het einde van een aflevering Zo Is Er Maar Eén enkele regels uit Testament van Boudewijn De Groot kwam zingen. Bourgeois liet zich vroeger vaak misprijzend uit over collega's die in allerlei lichtere tv-programma's opdraafden, omdat ze zo volgens hem het sérieux van de politieke professie aantasten. Sinds hij een ministerpost bekleedt, is hij veel minder vies van wat gratis reclame. Het enige wat Bourgeois nog onderscheidt van de politici die hij voorheen op de hak nam, is dat hij niet op tv komt om minister te worden, maar om minister te blijven. In een tijd waarin de minister van Media bij Zo Is Er Maar Eén binnenspringt - en een reeks waarin de minister van Cultuur urinekoekjes eet genomineerd wordt voor een Gouden Roos in Montreux - prijzen we ons extra gelukkig dat er nog zoiets bestaat als Belga Sport. Omdat de documentairereeks ouderwetse televisie is, waarin vakmanschap centraal staat en goedkope gimmicks geweerd worden, en omdat ze al twee seizoenen lang toont dat op tv niets mooier is dan een goed verteld verhaal. Ook in de tweede reeks zijn de makers nog geen enkele keer gestruikeld: de kronkelige carrière van Roger Moens, de legendarische Luik-Bastenaken-Luik uit 1980 met een besneeuwde Bernard Hinault of de 'boksmatch' tussen Mohammed Ali en Jean-Pierre Coopman, telkens weer werden ze gereconstrueerd met veel oog voor detail, en wisten de makers perfect het evenwicht te vinden tussen euforie en tragiek. Vorige week kregen de Belgische atleten die in 1948 deelnamen aan de Olympische Spelen van Londen hun plaats in de schijnwerpers. Het team behaalde op de eerste Spelen na WO II, in een stad die in puin lag en waar het voedsel nog altijd gerantsoeneerd was, zeven medailles en is daarmee de meest succesvolle Belgische delegatie uit de laatste 60 jaar. De omkadering was nochtans net iets minder professioneel dan nu. De atleten hadden bijvoorbeeld maar één trainingspak meegekregen naar Groot-Brittannië, en omdat de etenswaren van het Belgisch Olympisch Comité op de heenreis op mysterieuze wijze verdwenen waren, moesten ze overleven op een dieet van halfbevroren kip en erwtjes. Ook qua trainingsmethodes liepen ze wat achter. Een van de atleten had in de maanden voor de Spelen de 12 kilometer van en naar zijn job al lopend afgelegd om toch maar te kunnen oefenen. En dat terwijl de legendarische Emil Zátopek toen al begon te experimenteren met intervaltrainingen - 'Ik dacht dat hij ter plekke ging doodvallen', aldus een Belgische atleet die hem had zien trainen. Veel adoratie bij het thuispubliek moesten de sporters evenmin verwachten. Een van de coureurs uit de Belgische wielrennerploeg, die de gouden medaille had gewonnen, vertelde dat toen hij terug thuis kwam, de burgemeester van zijn dorp niet eens wist dat hij naar de Spelen was geweest. In Belga Sport mochten de vergeten helden gelukkig nog één keer schitteren, en dat leverde wederom prachtige televisie op. Door Stefaan Werbrouck