Sidney Lumet met Philip Seymour Hoffman, Ethan Hawke, Marisa Tomei, Albert Finney, Rosemary Harris
...

Sidney Lumet met Philip Seymour Hoffman, Ethan Hawke, Marisa Tomei, Albert Finney, Rosemary Harris Dat de wonderen de wereld nog steeds niet uit zijn, bewijst de 83-jarige Sidney Lumet. Na een lange reeks missers verkeert hij plots weer in bloedvorm met dit meticuleuze misdaaddrama, waar het fatalisme in verstikkend dikke geuten van afdruipt. In wat zonder twijfel zijn beste film sinds Prince of the City (1981) mag worden genoemd, weet de oude meester een ogenschijnlijk banaal verhaal over een hopeloos vekeerd uitdraaiende roofoverval subtiel uit te diepen tot een familietragedie met Griekse grandeur: van de rauwe, exhibitionistische seksscène die al meteen de dierlijk driftige toon zet, tot het hartverscheurende slot waarin alle hoop wordt gesmoord. Een comfortabele zit is Lumets 46e langspeler in geen geval, maar spannend, intens, confronterend en sarcastisch is hij des te meer. Motor daarbij is de haat-liefdeverhouding tussen twee broers die blijkbaar alleen door hun DNA met elkaar verbonden zijn: de manipulatieve mooiprater Andy (Philip Seymour Hoffmann) en diens jongere broertje Hank (Ethan Hawke), een loser die definitief op the road to nowhere lijkt beland. Toch hebben de twee één ding gemeen: een acute nood aan geld. Andy heeft het nodig om zijn heroïneverslaving en bedrijfsschulden te sponsoren, Hank om zijn alimentatie te betalen. Zo rijpt bij de twee het onzalige idee om in de New Yorkse suburbs een kleine juwelierszaak te overvallen, uitgebaat door... hun bloedeigen pa en ma. Welke sadistische twists het fatum voor de twee broers en hun familieleden vervolgens in petto heeft, moet u vooral zélf ontdekken. Een ordinaire, naar morele gemeenplaatsen toesluipende heistmovie is het zeker niet. Met een strategisch spel van flashbacks- en forwards onderbreekt Lumet immers voortdurend de chronologie waardoor er al van bij de openingsact - waarin je hun plan tragisch ziet mislukken - een beklemmende sfeer van verdoemenis en existentiële twijfel hangt. Bovendien is de manier waarop Lumet met genreconventies speelt en van toon wisselt ronduit briljant. Let bijvoorbeeld op de scène halverwege de film waarin Andy voor het eerst de kille designflat van zijn dealer aandoet, en er plots drie minuten lang geen woord wordt gezegd. Lumet bevriest letterlijk de actie, om die nadien in zijn gekende, discreet gestileerde stijl trefzeker weer op gang te schieten. Dit is weliswaar geen gangsterthriller van het eerste uur, maar wel een moerasdonker familiedrama waarin de nuclear family genadeloos als het zoveelste corrupte Amerikaanse instituut wordt ontmaskerd. Dat laatste is trouwens een van Lumets specialiteiten. Voeg daar nog een reeks gedreven vertolkingen aan toe, een score die de tragiek door je aders pompt en archetypische decors - het shoppingcenter, de designflat, het kantoor etc. - die het verhaal tegelijk een abstraherende en hyperrealistische dimensie geven én je krijgt een broeierig misdaaddrama dat laattijdig aan de jaren zeventig lijkt ontsnapt. Dave Mestdach