Arctic Monkeys ***

WHATEVER PEOPLE SAY I AM, THAT'S WHAT I'M NOT
...

WHATEVER PEOPLE SAY I AM, THAT'S WHAT I'M NOT (DOMINO) Robbie Williams van de eerste plaats van de Britse hitparade houden met een niet bepaald evidente hit: faut le faire. Arctic Monkeys, een horde jonge wolven uit Sheffield, was vorig jaar met I Bet You Look Good On The Dancefloor verantwoordelijk voor die krachttoer. Wat het succesverhaal nog opmerkelijker maakt, is dat de wilde bende de klus klaarde zonder enige steun van een promotiecampagne. Het is een puur grassroots fenomeen, zoals dat in marketingtermen heet, want de buzz ontstond op het internet. De hype nam al snel monsterlijke vormen aan en de indruk ontstond dat Arctic Monkeys niet minder dan revolutionair waren. De realiteit is iets minder sensationeel: Arctic Monkeys passen mooi in het rijtje van de bands die de voorbije jaren al claimden het warm water te hebben uitgevonden, genre Franz Ferdinand en Kaiser Chiefs. Arctic Monkeys voegen weinig toe aan de springerige discopunk en de rafelige garagerock die tegenwoordig over de radiogolven van Studio Brussel surft. Maar de groep mag dan nauwelijks innoverend zijn, hij heeft wél een opwindend geluid. Op het huppelende Dancing Shoes kun je onmogelijk je benen stil houden, en terwijl je vrolijk heupwiegend luchtgitaar staat te spelen, besef je plots dat frontman Alex Turner serieus wat venijnig vergif in die onweerstaanbare groove zit te pompen. Er gaat een grote kracht uit van de stekelige, rauwe muziek. Het hoekige karakter doet je, samen met de echo op de stem, onvrijwillig The Strokes voor de geest halen. De spastische stop-starttics, de bruuske tempowisselingen, de onverwachte wendingen, het collectieve scanderen in een song als het felle Still Take You Home: het klinkt allemaal alsof het de heren daar en dan in de studio te binnen is geschoten. Met hun beheerste nonchalance lijken ze een verbeterde versie van The Libertines. Net als die ex-groep van Pete Doherty worden Arctic Monkeys vaak vergeleken met The Jam en The Clash. Dat komt omdat ze zwarte muziek door hun punk mengen. Fake Tales Of San Francisco, doordrongen van soul en reggae, zou zo op Sandinista! van The Clash kunnen. Als je Alex Turner naar zijn invloeden vraagt, komt hij overigens niet in de eerste plaats met gitaarbands aandraven. De man heeft een hiphopverleden en spiegelt zich nog het liefst aan Mike Skinner van The Streets. Niet dat Turner rapt: het zit hem eerder in de oer-Engelse attitude die ook The Streets aanhangen en in de flow van een nummer als A Certain Romance. Turner zingt - melodieus snauwen, is misschien een betere omschrijving - hees en spontaan, Jack White achterna. Met de ritmiek en de branie zit het kortom goed, maar als het op melodieën aankomt die aan de ribben kleven, dan heeft deze bende nog een hele weg te gaan. Red Light Indicates Doors Are Secured en Mardy Bum zijn de uitschieters, de rest is meer energiebom dan song. Als jonge blagen verdienen Arctic Monkeys alle krediet. Ze hebben genoeg sterke punten en hun potentieel is groot. Zo zijn ze erg bedreven in het bedenken van aanstekelijke riffs, getuige de hakkende gitaarloopjes in de nieuwe single When The Sun Goes Down. Als debuut is Whatever People Say I Am, That's What I'm Not door insiders al meer dan eens in één adem genoemd met Definitely Maybe, het visitekaartje dat Oasis destijds afleverde. Dat is nog niet zo'n gekke referentie. De gebroeders Gallagher weten waar het in rock-'n-roll, en bij uitbreiding, in entertainment om draait, maar je kunt moeilijk zeggen dat ze wereldschokkende platen hebben voortgebracht. Wellicht moeten we dat ook niet van Arctic Monkeys verwachten. Peter Van Dyck