Anna Karenina is in het theater opgevoerd, als radiohoorspel, ballet en musical, you name it, in de jaren zeventig was er zelfs een Cubaanse televisieserie. Maar hoewel het melodrama zich hoofdzakelijk binnenskamers ontplooit, heeft de grandeur die van decors en de hoogoplopende emoties afstraalt in de eerste plaats filmmakers tot initiatief aangemaand. Opvallend: sinds de allervroegste cinemabewerking - afhankelijk van de bron in 1910 of 1911 - ging er geen decennium voorbij zonder dat Leo Tolstojs (anti)heldin weer eens gestalte kreeg op het grote doek. De enige uitzondering vormden de ee...

Anna Karenina is in het theater opgevoerd, als radiohoorspel, ballet en musical, you name it, in de jaren zeventig was er zelfs een Cubaanse televisieserie. Maar hoewel het melodrama zich hoofdzakelijk binnenskamers ontplooit, heeft de grandeur die van decors en de hoogoplopende emoties afstraalt in de eerste plaats filmmakers tot initiatief aangemaand. Opvallend: sinds de allervroegste cinemabewerking - afhankelijk van de bron in 1910 of 1911 - ging er geen decennium voorbij zonder dat Leo Tolstojs (anti)heldin weer eens gestalte kreeg op het grote doek. De enige uitzondering vormden de eerste tien jaar van dit nieuwe millennium. De Zweedse vamp draafde twee keer op in de rol van Anna. Eerst in 1927 in Love, een stomme prent die meer dan een loopje nam met Tolstojs vertelling, en voor de Amerikaanse markt zelfs een happy end voorzag. Beter was Anna Karenina, acht jaar later, met Fredric March die als graaf Vronski een traditie in gang zette: heel vaak zou Vronski van het doek worden gespeeld door de Aleksej Karenin van dienst - hier was dat Basil Rathbone. Toch had de film te lijden onder de preutsheid die door de studio werd opgelegd. Tussen Garbo en March knetterde het op het scherm slechts platonisch, en zo had Tolstoj het niet bedoeld. Net als de glamoureuze ijskoningin Garbo liet ook Vivien Leigh haar Anna Karenina op een laag vuurtje branden. Maar eigenlijk was ook deze adaptatie in het voorspelbare bedje ziek: een boek van negenhonderd bladzijden laat zich niet zonder slag of stoot tot film herkneden. Ook hier focuste de dienstdoende regisseur (Julien Divivier) hoofdzakelijk op de driehoeksverhouding vrouw-man-minnaar, en is het Aleksej Karenin (Ralph Richardson) die in zijn woede en afgunst duidelijk de meerdere is van een slappe Vronski (Kieron Moore). Al kreeg Moore ook niet bepaald een gretige Leigh in zijn armen. Een maatschappij die je uit alle macht aan de ketting probeert te houden: de Russische actrice Tatjana Samojlova had het zelf ook al ondervonden. Ze werd een ster dankzij Letjat zjoeravli (Als de kraanvogels overvliegen, 1957), die in Cannes een Gouden Palm wegkaapte. Een internationale carrière lonkte, maar daar staken de Sovjetbonzen een stokje voor. Samojlova's enige andere grote claim to fame was als Anna Karenina, in de goed onderbouwde Russische gelijknamige filmbewerking uit 1967. Opmerkelijk: Samojlova moest de scheve schaats rijden met haar ex-man Vasili Lanovoj, die als Vronski was gecast. De negentiende-eeuwse pracht en praal, de gezwollen en noodlottige romantiek, en ook nog eens Tsjaikovski, Rachmaninov en Prokofiev op de soundtrack: de Britse regisseur Bernard Rose speelde op veilig met zijn prent, die het meer van verpakking dan psychologische diepgang moest hebben. Sophie Marceau en Sean Bean mogen wat bloot vlees tonen maar lopen verder een beetje verloren in het andermaal fel getrimde verhaal. Rose dikt nog een en ander onnodig aan door Anna aan de opium te helpen en Vronski tot Russische roulette te bewegen. Al schonk hij wel meer dan gewone aandacht aan de subplot Kitty-Levin.