Kendell Geers is afkomstig uit Johannesburg, Zuid-Afrika, een telg uit een rechts Afrikanergezin van Jehova's getuigen. Op zijn vijftiende liep hij van huis weg om zich aan te sluiten bij de antiapartheidsbeweging. Vier jaar later werd hij opgepakt en veroordeeld voor hoogverraad - net als meer dan honderd andere jongeren weigerde hij dienst in de South African Defence Force. Hij verliet het land en ontsnapte zo aan een jarenlange celstraf. Na Mandela's vrijlating kon hij terug. Het is in deze periode dat hij onder meer Bloody He...

Kendell Geers is afkomstig uit Johannesburg, Zuid-Afrika, een telg uit een rechts Afrikanergezin van Jehova's getuigen. Op zijn vijftiende liep hij van huis weg om zich aan te sluiten bij de antiapartheidsbeweging. Vier jaar later werd hij opgepakt en veroordeeld voor hoogverraad - net als meer dan honderd andere jongeren weigerde hij dienst in de South African Defence Force. Hij verliet het land en ontsnapte zo aan een jarenlange celstraf. Na Mandela's vrijlating kon hij terug. Het is in deze periode dat hij onder meer Bloody Hell maakte, waarin hij zichzelf waste met zijn eigen bloed. Als deel van een kunstwerk verandert hij ook zijn geboortedatum in mei 68 en Jacobus Geers, zijn geboortenaam, wordt Kendell Geers. Uiteindelijk wilde hij niet blijven in een land waar moorden, verkrachtingen en verregaande corruptie dagelijkse kost werden, en inmiddels woont Geers al twaalf jaar met zijn gezin in Brussel. Kort na die emigratie nam hij in Arnhem deel aan de beeldentriënnale Sonsbeek. Curator Jan Hoet stuurde hij toen naar een dominatrix. 'Hoet had alle kunstenaars gevraagd een nieuw, gepast werk te maken voor de triënnale', legt Geers uit. 'Elke bijdrage moest over conflict gaan en de plaatselijke bevolking moest worden aangesproken. De dominatrix woonde in Arnhem en conflict was er in de relatie man-vrouw. Omdat Hoets opvattingen niet altijd even modern zijn, wilde ik de rollen omdraaien en hem in een ondergeschikte positie plaatsen. Maar hij voelde zich niet geroepen om mee te doen. Het kostte me een half jaar om hem op andere gedachten te brengen. Tussendoor dreigde ik wat. "Jan Hoet", zei ik, "iedereen kent je als een curator met lef. Als je niet meedoet, ga ik overal vertellen hoe het echt zit." Uiteindelijk zwichtte hij. De dominatrix deed haar werk grondig. Ze beulde hem af, kietelde hem, vernederde hem en gaf hem slaag met een zweep. Het gekerm en gekreun nam ik op en liet ik aan het publiek horen.' Op de dag van de opening moest Geers ziek het bed houden. In zijn hoofd veranderde er iets, dat een nieuwe poëtischer periode inluidde in zijn werk. 'Ik lag drie dagen in een ziekenhuis, zonder dat iemand me kon vertellen wat er aan de hand was. Ik kwam tot het besef dat ik te veel van mezelf vergde. Ik had Hoet naar een dominatrix gestuurd, had bommen laten afgaan in musea. Ik had zelfs een privédetective ingeschakeld om de Nederlandse curator Rudi Fuchs te volgen. Het klopte niet. Nog even, dacht ik, en ik begin in musea met stront te gooien. Ik bleef maar denken dat kunst meer moest zijn. Ik besloot het voor bekeken te houden en een vol jaar niets te doen - een pauze die ik overigens alle kunstenaars kan aanraden.' (E.F.)